Cultuurpaus

Vandaag heb ik voor de tweede maal mijn Linkedin-account opgezegd. Omdat ik merk dat ik ga kijken in de hoop een inspirerende tekst te vinden die tot nadenken stemt en dan teleurgesteld geraak als dat wederom niet het geval is. Nog niet veel verschil gemerkt met de gang van zaken toen ik meer dan een jaar geleden besloot mijn account op te zeggen. Ik schreef er dit bericht over.

Toch botste ik enkele dagen geleden op een thema dat me intrigeert.
Ooit schreef ik een blogbericht over het belang van waarden bij aanwervingen.
Enkele dagen geleden las ik in een bericht van Adam Grant, ‘Don’t let your workplace become a cultural museum. Culture fit is a recipe for groupthink—it weeds out diversity of thought. Hire, reward, and promote cultural contributors: the misfits, original thinkers, and disagreeable givers who stretch and enrich the culture.’

Naast mijn eigen artikel ben ik het ook met zijn uitspraak eens, al lijken de twee boodschappen tegenstrijdig.
Waar zit dan de clou?

Ik lees nog enkele reacties op het bericht als dat het stretchen van die cultuur dan wel in de ‘positieve richting’ moet gebeuren. Dat je niet wil dat nieuwkomers op de werkvloer raken aan je kernwaarden. Een ander reageert dan weer dat hij er helemaal voorstander van is dat ‘misfits’ oude en verouderde waardesystemen uitdagen. Dat je moet bereid zijn om te trachten begrijpen wat er schuilgaat achter weerstand bij werknemers.

Wat denk ik daar nu allemaal zelf over?

Is het ook hier geen continuum?
Wat zou er met me gebeurd zijn mocht mijn werkgever fundamenteel andere waarden hanteren dan ik en toch overgegaan zijn tot aanwerving?
Als ikzelf al zou hebben toegehapt in dat geval.

Hij werft me aan als frisdenker om het denken te stretchen, misschien intern en extern waardesystemen te stretchen ook, maar zo fragiel als ik in het begin op de werkvloer stond, zou ik het, in een ander waardekader, wellicht niet lang overleefd hebben.
Vandaag, een dik jaar verder, sta ik sterker. Zie ik intern en extern steeds duidelijker gedragingen gebaseerd op ingesleten patronen. Vandaag kaart ik dat met iets meer zelfvertrouwen aan, bied ik weerwerk om het eco-denken en -handelen te doen toenemen, weg van ego en/of ingesleten gedragingen en uitspraken.
Maar het kost me nog steeds veel energie. Zeker wanneer ik zaken aankaart of ondersteuning vraag om zaken aan te kaarten en die ondersteuning niet vind.

Het zuiverste antwoord op dit vraagstuk trek ik door gewoon het nieuwe Van Dale woordenboek open te slaan. Dat boek omschrijft cultuur als ‘het geheel aan normen, waarden en omgangsvormen in een organisatie of groep.’
Er staat ook iets in de trant van ‘het bereikte peil van verfijning van het geestelijk en zedelijk leven.’

Laat nu net een nieuwe medewerker wiens bewustzijn al wat meer gestretcht is dan dat van de andere medewerkers, die positieve evolutie kunnen brengen in waardegedreven gedrag. Want is dat niet het verrijken van een cultuur, een verruiming van het bewustzijn en het handelen dat daardoor shift van ego naar meer eco?
Waardoor oude en/of verouderde waardesystemen wat ‘opgefrist’ worden.
Waardoor mensen zich meer op de ander gaan richten om van het systeemverhaal een duurzaam verhaal te maken.

Al is ‘oude en/of verouderde waardesystemen’ misschien een verkeerde bewoording. Want zijn niet net die culturen die net al eeuwenlang heel dicht bij de natuur staan, het meest eco in hun gedragingen? Misschien moeten we dan maar spreken over non-ecologische waardesystemen en hun nood aan een verfrissende toets.
Wat dan weer kan leiden tot circelverwijzingen in een woordenboek.
Of maak ik het nu helemaal te bont?

Waar begin ik ook aan…

Mentale hygiëne

Zo. Al even gezorgd voor mijn mentale hygiëne vanochtend.
Een geleide meditatie, mijn drie ochtendpagina´s freewriting en een blaadje volgepend in mijn dankbaarheidsschriftje.

En ja, dat helpt dus. Net als die kop koffie. En het zicht op de tuin die ontwaakt onder een beloftevolle hemel.
Ook al mag ik die tuin eens onder handen nemen. De blokkade in mijn rug waarschuwt me wel niet te overmoedig tewerk te gaan.
Ik voel alleszins weer ruimte in mijn hoofd en lijf. Vloeibaarheid. Oef.
Goedemorgen ochtend!

Waar ik dan over zal schrijven weet ik nog niet. Maar soms is het gewoon een kwestie van beginnen. Het ene woord na het andere.
Ik heb een tweedehands boek besteld op boekwinkeltjes.nl En daarbij een heel fijne correspondentie gevoerd met een vrouw die prompt in vertrouwen het boek aan de Nederlandse posterijen heeft aangeboden zonder het bewijs van betaling te hebben ontvangen. Gewoon omdat ik geschreven had dat ik de betaling had doorgevoerd. Met nog een persoonlijke noot erbij. Maar dat lukt alleen als je Fiducia heet…al kon zij dat niet weten 🙂
Ik ga immers (weer) leren tekenen. Heb nooit academie gedaan en het schrikt me ook wat af om wekelijks naar een academie te ‘moeten’, met opgelegde opdrachten. Dit boek zou vol oefeningen staan. Dus kan ik plukken en uitproberen in alle eenvoud. Meer moet dat niet zijn om te starten. Ik heb overigens ook nog niet online gekeken wat er beschikbaar is aan filmpjes of lessen. Het boek was een tip van een vriendin met wie ik donderdag de avond doorbracht. Zij heeft overigens wel ooit academie gevolgd. Ze liet me één tekening zien en die vond ik alleszins al heel bijzonder. Ook Wisper, de vormingsorganisatie voor actieve kunsteducatie waar ik al eens een cursus meepik, kon me met haar huidige aanbod aan tekencursussen niet prikkelen. Of misschien wil ik eerst het gevoel hebben dat ik het toch al een beetje kan vooraleer mezelf in een groep te gooien.
Alhoewel…zo zit ik niet in elkaar, getuige mijn durf in improvisatiecursussen….of in mijn geval erger nog, zangcursussen.

Deze week zag ik een filmpje passeren van een olifantje dat een penseel in zijn slurf kreeg en heel precies een olifant schetste met bloemetjes erbij met, naar ik vermoed, zijn naam erboven. In een reactie bij het filmpje kloeg iemand dit aan. Dierenmisbruik voor het vermaak van de bezoeker. Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Wat is het dan bij onze kinderen? ‘Laat je tekening eens zien’. ‘Wat doet de koe?’ ‘Wie ben ik?’ Toch ook allemaal vragen om dat kind uit zijn kot te lokken en indruk te maken op de ‘bezoeker’. Ik zag dat olifantje ook niet gedwongen worden. Soms moet een levend wezen wat gestretcht worden om zijn volle potentieel te kunnen ontplooien.
Ik hou niet van de uitdrukking ‘out of the box denken’ omdat dat onderstelt dat er een box is. Ook ‘uit de comfortzone komen’ vind ik een dooddoener. Maar het klopt wel. Hoe kan je leren als je jezelf niet stretcht?

Mocht het zo zijn dat die olifant mishandeld wordt als hij kliedert of weigert te schetsen. Of afgebeuld wordt in die ene activiteit. Dan is het uiteraard een ander verhaal. Moeten olifanten uberhaüpt gevangen worden om te tonen hoe ze eruit zien. Of is een natuurdocumentaire of fotoreeks hiervoor een deugdelijker antwoord?

Brengt me in de buurt van een blogbericht dat ik enkele dagen geleden begon te schrijven maar waarvan ik nog niet goed weet hoe het vorm zal krijgen. Omdat ik nog met mezelf in de knoop zit over hoe ik er zelf over denk.
Moet een nieuwe werknemer passen in een bedrijfscultuur? Mag je van een nieuwe werknemer verwachten dat hij de bedrijfscultuur ‘hervormt’? Is er zoiets als een minimum stel waarden die moeten overeenstemmen, zodat samenwerken comfortabel, voedend of veilig blijft? Of giet je dat in afspraken?

Ik ga het antwoord nu niet vinden. Maar ik ga er wel mee aan de slag en kom erop terug als mijn ei bijna klaar is.
Mijn figuurlijk ei bedoel ik. Heb al ontbeten hoor 😉

L-egoland

daniel-cheung-554578-unsplash

Photo by Daniel Cheung on Unsplash

Hoe moet Fiducia zich in Egoland gedragen?

Met een L van Leerling op haar voorhoofd? Of met de L vooraan op Egoland. Dan kan ik me tenminste inbeelden dat ik in Legoland ben en me uitleven met het herschikken van de blokjes.

Waar is de tijd…Wij hadden veel legoblokjes, mijn broer en ik. Ook toen al met ramen en deuren die ook nog eens open gingen. Met wielen en caoutchouc banden ook om auto´s te construeren. Maar toch vooral rechthoekige en vierkante blokjes. Veel rood. Dakpannen, dat herinner ik me nu ook ineens. En platte schrijfjes. Als voor vensterbanken. De vazen met bloemen kwamen pas tevoorschijn bij een volgende generatie denk ik.

Een vriendin van me waarmee ik nogal optrok in het tweede studiejaar, had bij haar thuis een huis in Lego gebouwd en ze huisde daar een pad in. Ik weet al niet meer wat ze haar te eten gaf. Op een dag zijn we dat beest terug in het veld gaan zetten en ik weet nog dat ik me toen al afvroeg of mevrouw pad dit wel zou overleven, nu ze haar veilige woonst moest verlaten. Nu ze intussen misschien al een tamme pad was geworden. Als ze het niet altijd al was geweest, aangezien mijn klasgenootje haar had weten te vangen.

Die zelfde vriendin stopte op een keer ook halsoverkop in het midden van de straat met haar fiets omdat ze een rups een meter voor haar wiel de straat zag oversteken.
Stoppen en beestje in de berm placeren.
Rups in Egoland. Denkt dat de hele straat van haar is. Het is van alle tijden en alle systemen blijkbaar. Maar dan komt er zo´n monsterachtig wezen dat rups terugfluit.
Mini-Fiducia was toen al verwonderd.

Ik hou er niet van. Mensen die zonodig zichzelf of hun organisatie op de voorgrond moeten praten en daarmee anderen ruimte ontnemen om zich te uiten. En dat in een sector waar de belangrijkste vaardigheid luisteren moet heten.
Ik heb al eerder ondervonden dat mensen een gesprek meer waarderen naarmate ze meer aan het woord zijn geweest. En dat ze dat zelf niet door schijnen te hebben.
Ik schreef er ooit een blogbericht over, toen ‘mijn hernia’ nog geregeld de kop opstak.

Fiducia in Legoland. Hoe zou het huis eruit zien dat ik rond mezelf bouw? Wie mag er binnenkijken en wanneer doe ik mijn gordijnen dicht? Heb ik een deur? Is mijn dak goed geïsoleerd en zijn mijn ‘muren’ stabiel? Bouw ik met witte of rode blokjes? Wie doet  de afwas? Bestaan kabouters daar echt?

Legoland. Het land waar we gaan met die banaan. Het land waar talenten worden gekoesterd en uitgedaagd. Een land dat het verdient zichzelf in de kijker te stellen. Maar het niet doet omdat er nog over voldoende andere euvels moet gekeuveld worden.
Enfin.

Fiducia is een beetje moe.

Lijden met stijl :-)

kimson-doan-37947

Vanochtend hadden we samen vergaderd over de verdere uitbouw van depressiehulp.be. Eén van mijn vrijwillige engagementen. En op de terugrit hadden we het dus over de prijs van het treinticket. Hij mailde me die prijs deze namiddag door. Ik was opgelucht dat het net evenveel was als de rit op mijn rail pass. En in mijn antwoord zonet op zijn mail plaatste ik nog een voetnoot: (…) dat ik me heel erg ‘gewaardeerd’ voel in de kliek van depressiehulp. Voelt fijn. Warm dankjewel voor je bijdrage daaraan 🙂

Het deed me denken aan een voorval eerder deze week. Een aantal dagen geleden reageerde ik op een artikel op Linkedin over de meest effectieve leiderschapsstijl. Ik vond het vreemd dat nergens in het artikel het woord ‘luisteren’ voorkwam in één of andere vorm. En dat meldde ik ook in een commentaar. Vandaag zag ik hetzelfde artikel verschijnen in het Engels, met een ietwat vrouwelijke toets in de begeleidende foto en titel. Leading with style.

Ik volg al enkele jaren vanop afstand wat gezegd en geschreven wordt over leiderschap. Misschien omdat ik zelf een goed voorbeeld wil zijn. Misschien omdat ik graag werk voor iemand die sterk waardengedreven leiderschap toont. Ik weet het niet. De ambitie om zelf een leiderschapscursus te volgen heb ik alvast niet.
Het idee dat een leider volgers ‘moet’ hebben vind ik ook al zoiets vreemds. Als ik al een leider zou willen zijn, dan eentje waarvan je niet weet dat hij de leider is. Eentje die ervoor zorgt dat je zelf leiderschap opneemt in datgene waar je hart een sprongetje van maakt.
Trouwens, ik ben een groot deel van de tijd een lijder. En daar kan je zelfs met wat creativiteit geen omelet uit halen.

Maar sprankels in de ogen van anderen zie ik wel vaak verschijnen.

Zoals bij Manon een poos geleden, haar oogsprankels waren zeer intens. En dat alleen omdat ik ervoor koos tijd te nemen om een boekje voor haar te lezen. Of mijn beste vriendin, toen ik eerst het woord wat geladenheid gaf en dan aandrong dat ze zelf als ontbijt het ‘triootje’ bestelde bij de niet onknappe ober. Sprankels, gestotter en gelach. Dit geheel terzijde overigens. Behoorlijk ‘stijlloze’ anekdote. Maar sprankelen deed ze wel.

Wat ik wel hoop is dat via de dossiers waarin ik me vastbijt, samen met collega´s over de organisatiegrenzen heen, het leven van kwetsbare mensen draaglijker wordt. Dat hun ogen mogen gaan glanzen en hun hart ietsje sneller gaat kloppen, tussen de pijn door.

En zo een hoopje hoop ontstaat. Dat groeit.
Op weg naar overschotten hoop om te herverdelen.

Daar kan geen geld tegenop.
Die reis is onbetaalbaar.

Ik ben dankbaar dat ik mag doen wat ik doe.

(Data)manipulatie: een verkenning

braydon-anderson-105552

Het sluimert al langer…via diverse berichten word ik deze richting uit geduwd.

Die van het schrijven dus. Over manipulatie van data, over manipulatie van mensen, rechtstreeks of onrechtstreeks, bewust maar meer nog onbewust.
Over de impact van dat alles op de geestelijke gezondheid. En ik heb geen flauw idee of dat al onderzocht is. Maar ik hoor mezelf afgelopen woensdag nog tijdens een receptie verkondigen dat ik voorspel dat het aantal psychoses zal toenemen. En dat het voor de hulpverleners in de geestelijke gezondheid steeds moeilijker zal worden om de waan in het verhaal van de realiteit te onderscheiden.

En dan worden we daar lekker met zijn allen angstig van en gaan we daarnaar handelen. Of kan het ook anders?

Ik heb het al eerder gezegd en geschreven: mijn hoopverlener is vertrouwen. Waar ik ook hang of steek, vertrouwen haalt me terug naar het hier en nu en wijst me op ‘de nodige actie’.

En ja, ook ik heb het gevoel dat ik gemanipuleerd word. Dat mijn computer gemanipuleerd wordt. Want dat kan toch, niet?
Ik had het nooit eerder voorgehad dat ‘iets’ beslist om twee namen van files die ik toevoegde aan een mail te verwisselen. Tot nu.
Ik had het ook nog nooit eerder voorgehad dat ik een file toevoegde aan een mail, dubbel checkte, op ‘verzenden’ drukte en ik in mijn verzonden berichten geen bijlage vond. Als mijn correspondentiepartner me er al niet op wees.
En ik had het nog maar beperkt voorgehad dat een programma bleef hangen. Of een sms niet toekwam. Of mijn internetverbinding mank liep.
Gelukkig rijden de auto´s straks zelf en vermijden we al die menselijke fouten. Toch?!

Hoe mijn brein dan redeneert als er iets ‘vreemds’ gebeurt?

  1. wie houdt me hier voor de gek
  2. niet erg, gewoon loslaten, ik herstel het wel
  3. de anekdote rondvertellen en veel te hard lachen met het voorval.
  4. tot daar. Maar me toch af en toe eens afvragen hoe het nu ‘echt’ zat
  5. er eventueel wat woorden aan wijden op deze blogpagina

Ach, manipuleren we niet allemaal onze omgeving? Zelfs zwijgen is manipuleren. Zelfs kijken is manipuleren.

We hebben nu gewoon wat meer kennis en technologie tot onze beschikking om het efficiënter te doen.

Het artikel dat Stef Kuypers een tijdje geleden schreef, ‘Entering the Era of Psychological Warfare’ is dus wel angstwekkend, maar overkomelijk.

Als mensen je gaan bewerken en angst aanpraten om zo je handelen te beïnvloeden, dan werken we inderdaad in een richting die niet zo gezond is. Is het niet eerder door het bewustzijn te verruimen dat we die angst leren hanteren? Counteren zelfs?
Door te beslissen eruit te stappen.

Ik ben ervan overtuigd dat ik beïnvloed word. Zelfs al ben ik amper actief op sociale media, kijk of beluister ik zelden nieuws en beweeg ik me niet in politieke kringen. Maar ik ben me ervan ‘bewust’ dat ik beïnvloed word.
Je eigen handel en wandel zowel initiëren, beleven als waarnemen, daar schuilt, volgens mijn kleine rechterteen, de sleutel om met manipulatie om te gaan.

En in het onderhouden van verbinding met mensen die je vertrouwt. Mensen wiens waarden en intenties zuiver aanvoelen. Aan wie je die kleine vreemde gebeurtenissen kan melden (oh, nu maken ze een film à la ‘The Truman Show’ over mij!) waar je samen mee om dagdagelijkse fratsen kan lachen en met wie je je waarden kan aftoetsen en fris houden.

En waarom niet, jij die in alle stilte en eenvoud je waarden verder uitpuurt. In de paasvakantie bijvoorbeeld.

Maar laat mij jou vooral niet beïnvloeden. Ik zou niet willen dat ik betekenis had.

Slotsom: rood + groen = 5

schoolWellicht vraagt u zich op deze moeder der moederdagen af waarom ik rood en groen vernoem in mijn titel en niet de kleuren van de andere partijen. En denkt u wellicht dat ik met zo´n blogtitel wel voor een progressieve partij zal stemmen. Maar dat is een voorbarige conclusie van u. Want misschien gaat deze tekst helemaal niet over voorkeuren. Misschien gaat deze tekst over wiskunde. En over verwarring.

Wiskunde geeft verwarring. Zo dacht Jan V. er over. Hij zat een veertigtal jaren geleden in het eerste studiejaar en kreeg een doos met houten blokjes. Blokjes om mee te leren tellen. Het kleinste blokje was wit, ongeveer één kubieke centimeter groot en stelde het cijfer één voor. Het cijfer twee werd voorgesteld door een rood balkje van twee kubieke centimeter een balkje drie was groen. Er waren tien soorten blokjes. En daarmee kon je puzzelen en uitzoeken wat je allemaal kon samenleggen om aan tien te komen. Want tien dat is het beste resultaat in de lagere school. En natuurlijk moet je streven naar dat resultaat. Daarover discussiëren we niet.

Maar het moment dat de meester zei ‘rood + groen is vijf’ was kleine Jan in de war. ‘Hoe kan je nu kleuren optellen en een cijfer uitkomen’ vroeg hij zich af. Hij boog zijn hoofd over zijn blokkendoos en bestudeerde het probleem. Hij kwam er niet uit en was de rest van de dag mentaal afwezig. Jantje was nochtans niet dom. Jantje kreeg later zelfs zoveel inzicht in de wondere wereld van de wiskunde, dat hij toen hij grote Jan werd als ingenieur afstudeerde aan de universiteit. Het was daar dat ik hem leerde kennen. Als de man met de grappige verhalen wel te verstaan. Over het boekweitbrood van zijn moeder, over de lotgevallen van baseballspelers en over het trauma dat deze bewuste optelsom hem bezorgd had. Over de verwarring, die hem dus tot op de dag dat zijn verhaal mijn herinnering inkroop, had beziggehouden. Toen ik hem een tijdje geleden mailde over de grote oceaan, spraken we af dat als ik ooit een boek zou schrijven, dat dat mijn titel zou zijn: ‘rood + groen=5’. Maar omdat grote woorden vaak kleine daden worden, werd het dus de titel van deze blog. En dan zelfs nog niet helemaal. Ach, afspraken…maar ik onderstel dat hij het me niet kwalijk zal nemen.

Deze week kreeg ik een vragenlijst vanwege het ministerie van onderwijs. Een vragenlijst die moest ingevuld worden door de ouders van leerlingen van het laatste jaar humaniora. Onze mening werd gevraagd over het nut van wiskunde. Ook wat we zelf hadden gestudeerd werd bevraagd en of we thuis met wiskunde en wetenschap bezig zijn. Omdat er misschien een link bestaat tussen de waarde die aan wiskunde wordt gehecht op het thuisfront en de wiskunderesultaten op school. Dat het, wie weet, misschien te voorspellen is wie een tien zal halen. Zelfs zonder de punten op te tellen. Als dat niet waardevol is.

Ik ben me er heel goed van bewust dat ik in mijn eerste paragraaf zelf voorbarige conclusies heb getrokken. Door te suggereren dat ik weet waaraan u denkt. Uiteraard weet ik dat niet. Zo goed kan ik me ook weer niet inleven.

Ik kan me wel inleven  in elke kleine Jan. Die wil Tellen maar verWard is.
Of Lin die wil MeeTellen maar niet zoals Ward is.
Of Marie die zelf ook wil verTellen maar niet Mee is.

En dan wou ik nog zo´n leuke oneliner formuleren om deze blog af te ronden, maar merk ik dat het een eyeliner is geworden. Een zwarte. Het zei zo.

Job interview: over plooifietsen en doodsangsten

Lonely girl

Er kwam dus een vervolg op het sollicitatiegesprek dat ik had bij de Vlaamse Overheid (link naar mijn vorige blog).

Ik was het niet geworden. Wist niet of ik opgelucht moest zijn of niet. Vragen als ‘wil je wel voor zo iemand werken?’ en ‘zou voltijds werken wel lukken?’ speelden nog een aantal dagen door mijn hoofd, wellicht om de teleurstelling een plaats te geven. Maar stilaan vervaagde de herinnering.

Tot ik een kleine twee maanden later telefoon kreeg. De functie stond opnieuw vacant en als ik nog vrij was en interesse had zou ik worden uitgenodigd voor een gesprek. Het zou geen nieuwe ‘echte’ sollicitatie zijn maar eerder een gesprek over mijn noden met betrekking tot de arbeidshandicap. Weer bewogen de oude gedachten door mijn hoofd…’wil ik wel voor die vrouw werken?’ maar ook ‘welke aanpassingen heb ik eigenlijk écht nodig op een werkplek?’

Ik werd uit de wachtruimte opgepikt door een andere personeelsverantwoordelijke dan vorige keer en hij bracht me naar een lokaaltje waar de coördinatrice zat naast een jonge man die haar nieuwe collega bleek te zijn. Een gesprek over noodzakelijke aanpassingen dus. ‘Waarom heb je precies voor deze job gekozen?’ vroeg de jonge man. Even flitste ‘noodzakelijke aanpassingen?’ door mijn hoofd maar ik hoorde me enthousiast vertellen wat me ertoe gebracht had mijn kandidatuur te stellen. ‘Zijn er zaken die voor jou extra belasting geven?’ Ik beaamde. Dat verre autoritten me erg veel energie kosten. Dat ik verplaatsingen liefst met het openbaar vervoer maak. Zelf heb ik geen wagen maar ik vermoedde dat ze wel over een pool beschikten voor dienstverplaatsingen. Korte afstanden vormen geen probleem.
Daar was weer dat schuine hoofd van de coördinatrice en het zoeken van oogcontact met de personeelsverantwoordelijke. Maar deze bleef mij aankijken en pikte erop in door te vragen hoe ik dat dan zag. De jonge collega opperde dat ik me misschien van het station naar de bestemming kon verplaatsen met zijn plooifiets. ‘Geen probleem’, zei ik. Ik had zelf al overwogen een plooifiets te kopen om mijn treinverplaatsingen minder tijdsintensief te maken. De coördinatrice viel in dat sommige bestemmingen in erg afgelegen buurten liggen en bovendien materiaal moest meegenomen worden want neen, niet overal hadden ze een beamer.

Plots helde ze naar me over en sprak ‘vorige keer heb je gezegd dat het belangrijk is voor jou dat de cultuur je ligt. Om heel eerlijk te zijn, ik sta doodsangsten uit bij zo´n uitspraak.’ Ik moest mijn wenkbrauwen bedwingen de hoogte in te gaan. Doodsangsten. Dat was een woord dat ik nooit eerder in een sollicitatiegesprek had horen vallen. Maar ik repliceerde dus net als vorige keer dat eenvoudig mee gaan lunchen me al veel duidelijk zou maken over de cultuur. ‘Wij lunchen zelden samen, meestal eten wij een broodje aan ons bureau’. ‘Een overleg meedoen dan?’ ‘Dat is moeilijk want wij zijn bijna nooit samen op kantoor.’
Het hele gesprek was ze in defensie gegaan. Ze wilde me niet en ik zou het geweten hebben.
Ik leunde achterover en voelde hoe hete tranen achter mijn ogen prikten. Ik raapte mezelf bij elkaar, leunde over de tafel en zette mijn rechterhand dwars op tafel, tussen ons in. ‘Hier stopt het voor mij. Dit werkt niet.’ En met mijn handen gebarend naar de twee andere personen, maar kijkend naar de coördinatrice, zei ik ‘dit werkt wel’. Maar dit dus niet’, waarbij ik tenslotte mijn rechterhand tussen haar en mij bewoog.
Ik stond op en nam mijn jas van de stoel. Ik zag haar vanuit mijn ooghoeken met een onzekere blik naar houvast zoeken bij de personeelsverantwoordelijke. De anderen stonden ook recht.
De jonge man wenste me nog veel succes. ‘Zij’ wenste me een goede thuiskomst.

De personeelsverantwoordelijke wandelde mee naar de lift en zei dat hij mijn beslissing bewonderde. Dat er meer kandidaten zouden moeten zijn die in een sollicitatieproces durven te handelen als ik. ‘Niet dat ze haar werk slecht doet, ik heb toch nog geen klachten over haar gehoord.’ Ik zweeg verder maar aan de lift draaide ik me om en stak hem een hand toe met de woorden ‘bedankt om me een kans te geven. Als u ooit een nieuwe coördinator zoekt stel ik me kandidaat.’ Hij keek me nog even na.
Wat een bluf.

Op de terugweg heb ik gehuild.
Maar ik ben goed thuisgekomen, zoals zij het me toegewenst had.

Job interview: waarom waarden tellen

cindy-tang-25654

Afgelopen dagen trokken twee artikels mijn aandacht: ‘Job interview: Why only 3 questions really matter’ van Richard Marr en ‘Welke waarden willen we?’ van Jochanan Eynikel van VKW. Beide artikels herinnerden me aan een sollicitatie van een aantal jaren geleden.

Ik had gereageerd op een vacature bij de Vlaamse Overheid. Volgens mijn interpretatie van het profiel dat ze zochten, had ik de nodige competenties en ervaring om de job goed uit te voeren en het vooruitzicht van organisaties te kunnen informeren, verbinden en op samenwerkingsspoor zetten maakte me zelfs bij het lezen al enthousiast. Restte er van de drie vragen van Bernard Marr nog de laatste ‘Will you fit into the team, culture and company?’

Bij elke sollicitatie neem ik vooraf even telefonisch contact op met de organisatie om al een eerste indicatie te krijgen van de communicatiestijl. Wel zo handig ook bij het schrijven van de sollicitatiebrief, ik kan dan in mijn eerste regel verwijzen naar ons telefoongesprek. Dat deed ik dus ook hier. Er was me iets onduidelijk in de functieomschrijving dus vroeg ik daarnaar, naast enkele vragen over het team waarin ik zou terechtkomen. De vrouw die ik aan de lijn kreeg, de coördinatrice van het project waarvoor deze functie was uitgeschreven, was kort van stof. Ze verwees me meerdere keren naar de website. Al had ik daar gekeken en niet gevonden wat ik zocht. Maar dat had ik misschien beter gezwegen. Ik hield een wrang gevoel over aan het gesprek, maar had toch afgesloten met de melding dat ze mijn kandidatuur weldra mocht ontvangen.

Een tijdje later kreeg ik een telefoontje van een personeelsverantwoordelijke waarop ik uitgenodigd werd voor een gesprek. Ik zou een schriftelijke opdracht krijgen gevolgd door een gesprek voortbouwend op de opdracht. De opdracht was niet moeilijk, ik had immers de website grondig doorgenomen en de vragen betroffen vooral een situering van de werkzaamheden binnen de ruimere context van de Vlaamse Overheid en de stakeholders.

Bij het gesprek waren drie mensen aanwezig waaronder de coördinatrice die ik aan telefoon had gehad en de personeelsverantwoordelijke. De derde persoon ontgaat me nu, maar het was me na één korte overschouwende blik al duidelijk dat die man op ‘vertrouwde’ voet stond met de coördinatrice. Het gesprek verliep zoals wel meerdere sollicitatiegesprekken verlopen, hoewel ik vaak merkte hoe de coördinatrice oogcontact maakte met haar bondgenoot (vergeef me mijn terminologie) bij bepaalde uitspraken die ik deed. Het viel me op dat haar antwoorden vaak ook antwoorden waren naast de vragen die ik stelde, wat me verwarde. In my humble opinion is een evenwichtig sollicitatiegesprek een dialoog en geen vragenvuur of monoloog en al zeker geen keuring. Maar wie ben ik.

Mijn gevoel zat niet helemaal goed en op de laatste vraag die ze stelden ‘wat is er voor jou cruciaal in deze job?’ antwoordde ik ‘dat de cultuur juist zit voor mij.’ Ik zag de coördinatrice met grote ogen en haar hoofd zelfs een beetje schuin kijken naar haar bondgenoot. Ik vulde aan dat de cultuur me het best duidelijk zou worden als ik even met het team kon kennismaken, samen lunchen bijvoorbeeld of een vergadering meelopen. Er werd wat heen en weer ‘geblikt’ maar de vraag bleef hangen.

De personeelsverantwoordelijke vroeg me of ik nog vragen had of eventueel nog iets wou toevoegen. Ik meldde nog dat ik geslaagd was voor de generieke proeven van niveau A – wat eigenlijk enkel voor statutaire functies van belang is en niet voor een contractuele betrekking als deze, maar toch…het geeft m.i. alleszins wel een indicatie van de ‘waarden’ die ik hanteer. Daarnaast vulde ik aan dat ik een erkenning heb voor een arbeidshandicap. Dat is een erkenning die de VDAB uitreikt op basis van een diagnose van een specialist. Organisaties die iemand met zo´n erkenning aanwerven krijgen een tegemoetkoming in hun loonkost. Ik meld dat dus niet overal, omdat ik wil aangeworven worden op basis van mijn kwaliteiten en niet omwille van mijn ‘voordelen’. Maar bij de Vlaamse Overheid mocht ik dit wel toevoegen meende ik.

Een hele poos hoorde ik niets. Maar er kwam een vervolg, dat ik in een volgend bericht zal neerschrijven.