Dromen van meer

Ze staat voorover gebogen haar veters te knopen in de hal. ‘Mama, je moet er niets achter zoeken en je moet niet triest worden om mijn vraag, maar verlang jij nooit naar meer dan dit? Dan wat je nu doet?’

‘Ik begrijp je vraag en ik worstel er inderdaad mee. Maar telkens ik me goed voel en durf dromen, word ik als puntje bij paaltje komt geconfronteerd met mijn energiehuishouding die weer niet meewerkt. Dan moet ik terugschroeven. Het is de laatste tijd zelfs vaak alle hens aan dek om er gewoon voor jullie te kunnen zijn. En dat wil ik in de eerste plaats.’

De vraag kwam van mijn oudste dochter die net achttien is geworden en straks aan de universiteit start. Gisteren zei ze bij een avondwandeling in onze buurt nog dat ze niet wil zijn als papa, want die is nooit tevreden met wat hij heeft. Maar ik lijk geen ambitie meer te hebben en dat vindt ze ook maar niks. De jongste vroeg een week na mijn ontslag uit het ziekenhuis overigens ook ‘of ik eigenlijk nog solliciteer’.

Ik ben blij dat ze me die vragen durven stellen. Maar ze zien het volledige plaatje niet, de inwendige worsteling. Mijn vrienden horen die worsteling wel. De uitersten waartussen ik een pad tracht uit te zetten.

Wat ik bovenal wens is dat de thuis van mijn kinderen een warme thuis is. Dat zij niet de zorg om hun zieke alleenstaande moeder moeten dragen. De afgelopen twee jaar zijn er twee momenten geweest dat zij aan de alarmbel moesten trekken omdat mama ‘vreemd deed’. Ik vind dat geen rol voor een kind om op te nemen. Ook al zijn ze niet meer zo klein, een veilige, warme thuis is wat ik hen wil bieden. Zij zijn ook mijn spiegel. Ik zie aan hen hoe het met mij gaat. Dat intunen en bijsturen vergt continu aandacht en energie.

Hoewel de jongste bij haar eerste bezoek in het ziekenhuis heel erg de kat uit de boom keek, is het evenwicht intussen mooi hersteld. Ze mag weer vooral ‘puber’ zijn…en mama mag het weten…

Mijn oudste dochter zei één van de laatste dagen vóór mijn ontslag uit het ziekenhuis met een huppelpasje ‘mama, ik ben zo blij dat je niet meer raar doet’. Dat soort momenten blijft bij. Dat ze mogen ‘kind’ zijn. Liefst zo lang mogelijk. Maar zich toch ook volwassen vragen mogen stellen en daar bij iemand mee terecht durven.

Ik ben blij dat het schooljaar weer begonnen is. Met de routine van school en sportactiviteiten en afspraakjes her en der. Met mijn rol als moeder die zorgt dat alles vlotjes verloopt. Was, plas, eten…Al zijn het niet mijn favoriete bezigheden. Ik probeer die huishoudelijke taken nu ‘meditatief’ te doen. In liefde voor de ruimtes, voorwerpen en zij die hier leven. Maar cognitief zit er een ventje dat toch steeds weer commentaar geeft…’jaja, uit liefde… saai saai…’

Ik droom van meer. En ik voel de pijn tijdens het schrijven.
Ja dochter, ik droom van meer en ik laat niet los.

De psyche van de LinkedIn-gluurder

Ik weet niet of u dat ook doet. U afvragen wie die anonieme LinkedIn-leden zijn die uw LinkedIn profiel bezoeken. Toegegeven, bij de opmaak van mijn eigen profiel heb ik ook getwijfeld. Wil ik wel dat de ander ziet dat ik even kom kijken wat er achter die foto en die headline schuilgaat? Wil ik wel sporen achterlaten? Maar de eerlijkheid en openheid wonnen het van de angst.

Wat me dan brengt bij de vraag wat zich in het hoofd afspeelt van de mensen die beslissen zich schuil te houden. Trouwens, die halve anonimiteit van wel de organisatie te zien of de jobtitel maar niet de naam of foto, dat vind ik zever. Ik weet niet of het nog zo is, maar vroeger kon je dan doorklikken en zag je een hele lijst van mogelijke bezoekers. Niet zelden zat er wel eentje tussen die ik kende. Yep, gotcha!

Het is me wel al overkomen dat een Bekende Vlaming langskwam. Met foto en al. Van de anonymi weet ik uiteraard niet of het Bekende Vlamingen zijn. Dan denk ik oei, die is de weg kwijt. Een enkele keer reageer ik dan enthousiast dat ik het leuk vond om zo´n hoog bezoek te krijgen en dat ik wel graag zou linken. Klinkt cool onder vrienden, een BV onder je contacten. Maar daar zitten echt wel slimme mensen bij. Die dan zeggen ‘ik link alleen met mensen die ik persoonlijk heb ontmoet en over wie ik iets positiefs kan zeggen.’ Daar sta ik dan met mijn mond vol asbak. ‘Maar waarom kwam je dan kijken op mijn profiel?’ wil ik dan nog uitbrengen en ‘ik heb deze week ‘echt waar’ eens niet elke avond een groot pak chips leeggegeten’… maar de woorden blijven door de emotie stokken in mijn keel. Er rest me dan niets dan me opnieuw met een dekentje in de zetel van mijn onbekende bestaan te nestelen.

Het is me overigens ook al overkomen dat een Bekende Vlaming me belde op mijn GSM. En afsloot met de woorden ‘nu heb je mijn GSM-nummer, als ik je nog ergens mee kan helpen dan bel je maar’. Maar dit geheel terzijde.

Volgens mij zijn mensen die hun gezicht verbergen als ze anderen bezoeken ziek in hun hoofd. Hebben ze iets op hun kerfstok. Of zijn het inspecteurs. Of psychiaters. Overigens wekt het minder wantrouwen om een fake profiel op te stellen, een portretfoto te nemen van een willekeurige marktbezoeker met de smoes dat je een fotografie-opleiding volgt en vervolgens je fantasie de vrije loop te laten bij het opstellen van een profiel.

Zo heb ik het ook gedaan. Maar ik ben dan ook ziek in mijn hoofd. En als al die werkgevers die ik heb opgelijst beweren dat ik wél bij hen heb gewerkt, weet dan dat ze liegen. En ik ben ook helemaal niet kwetsbaar. Ik schrijf zelfs geen blogs. Deze tekst is slechts een neerslag van de woordenwolk die gegenereerd werd bij het samenvoegen van alle berichten die mijn contacten hebben gepost.

Mijn dank gaat dus uit naar hen.

Te vertrouwen, hoezo?

Ze kwam met forse tred naast me lopen op de Antwerpse Meir. Dat ze verwonderd was dat die man haar toch een nieuw toestelletje had gegeven. Ze had het pas gekocht en het kostte wel niet veel maar het was stuk. Dat mocht toch niet. Maar hij was vriendelijk geweest en ze had een nieuw gekregen.

Dat de mensen van nu niet meer te vertrouwen zijn.

Ik kon het niet laten haar er toch even op te wijzen dat ze wel naast mij kwam lopen en haar verhaal deed, hoewel ze me niet kende.

‘Maar jij bent te vertrouwen.’ zei ze. ‘Dat zie ik zo. Maar andere mensen…’

Interessante denkpiste. Ik moest moeite doen haar bij te houden. Ze schreed voort met haar hoofd naar beneden, vertelde aan één stuk door en keek me slechts even aan als ik duidelijk tot haar verbazing een vraag stelde. Volgens mij was ze steeds onderweg om zich te ergeren aan het volgende onrecht.

Ze wees me op de jas die ze aanhad. Die had ze in de kringloopwinkel gekocht en thuis had ze ontdekt dat hij vuil was. ‘Wie doet dat nu, een vuile jas afleveren?’ Zij had er wél voor moeten betalen!

Ik vroeg me af of ze helemaal tot aan het station zou meelopen. Of ik haar met een smoes zou ‘loslaten’. Maar ik besloot haar ruimte te geven om haar verhaal te doen. En ze ratelde maar door. Dat er in het appartement waar ze woonde al twee fietsen van haar gestolen waren, waaronder die van haar kleindochter. ‘Kunt ge u dat nu voorstellen?’ Dat ze er nu geen meer kocht. En dat het slot van haar voordeur stuk was en de huisbaas het niet herstelde. ‘Oh manneke, ge komt wat tegen in Antwerpen.’ Ze nam afscheid en stoof met forse tred de winkelgalerij vlakbij het centraal station in. Duidelijk zeer doelbewust op weg naar, ach…

Bij mij bleef ze plakken. Op de trein naar huis. En tot nu, omdat zij één van die mensen is die mijn leven kleur geeft. Die mij de wereld in vraag doet stellen.

Wat maakt dat je mensen vertrouwt? Wat maakt dat mensen je de rug toekeren?

Hier zag ik een vrouw die duidelijk haar verhaal wilde doen. Die misschien weinig mensen in haar omgeving heeft die luisteren. Misschien ratelt ze zoveel dat mensen uit haar directe omgeving haar uit zelfbehoud de rug toekeren. Of misschien is het niet omdat ze veel ratelt, maar omdat het zelden positieve boodschappen zijn. Ik denk trouwens dat het lichtpuntje dat ze wel een nieuw toestel had gekregen al verdwenen was in de duisternis van haar andere ervaringen. Of zou ze toch bij haar koffie even denken ‘amai, dat was wel een vriendelijke madam daar, toen.’ Of zou ze over me vertellen als haar kleindochter op bezoek komt? Of er een stukje over schrijven in het dagboek dat ze verstopt tussen de miskopen van de kringloopwinkel? Zolang niemand het maar leest.

Gedachtensprongen. Niet te vertrouwen.

 

 

Kwetsbaarheid in de ogen kijken

Photo by Sarah Mak on Unsplash

Zesentwintig was ik toen ik als coördinator de verantwoordelijkheid kreeg over een groot pilootproject. In die functie rapporteerde ik aan de algemeen directeur. De organisatie telde toen ongeveer 900 personeelsleden. Mijn aanwerving had niet veel gescheeld want mijn derde afspraak belde ik af omdat mijn oudste dochter, die toen tien maanden oud was, in het ziekenhuis lag met Osteomyelitis. Ik bleef ´s nachts bij haar en wisselde overdag de wacht om te kunnen gaan werken.
Er was begrip bij de personeelsverantwoordelijke, ik kreeg een nieuwe afspraak en kwam twee weken later op gesprek bij mijn toekomstige baas, me niet realiserend dat hij algemeen directeur was.

Hij gaf ruimte aan mijn emoties voor we overgingen tot de orde van de dag. Toen ik meedeelde dat ‘mijn dochter er wellicht niet aan zou sterven’ zag ik een krimp bij hem, wat me even uit evenwicht bracht. Twee weken later vatte ik dat moment, toen een collega uit zijn persoonlijke vertrouwenskring me toevertrouwde dat hij kanker had ‘maar ik moest het zwijgen’. Een vergiftigd geschenk.
Bij elke vijf minuten die ik kreeg voor een overleg, was ik me bewust van zijn pijn. Wilde er rekening mee houden. Eén keer opperde ik voorzichtig om een andere keer terug te komen, maar hij weigerde.
De laatste keer dat ik hem hoorde was aan telefoon. Ik wilde voor een overheidsdossier uitsluitsel over een financieel aspect. Hij lag in het ziekenhuis en de laatste chemokuur had niet aangeslagen. Ik durfde niets te zeggen over zijn kwetsbaarheid of over hoe graag ik met hem had samengewerkt.
Niemand anders binnen de organisatie wist het fijne van mijn werk. Niemand anders binnen de organisatie interesseerde zich in mijn dossier.

Zijn dood werd me bekendgemaakt tijdens de bevallingsrust n.a.v. de geboorte van mijn tweede dochter. Ik ging naar de begrafenis, maar alles was me vreemd. Ik ploeterde nog enkele maanden voor ik werd opgenomen in het ziekenhuis. Liep toen naarstig door de afdeling op zoek naar ‘mijn baas’. Ik was er van overtuigd dat ik hem zou genezen met mijn ruggenmerg. Het zou niet de laatste keer zijn dat mijn verbeelding met me aan de haal ging. Maar ik herstelde, bleef moedig en worstelde verder. Zocht ander werk. Ik begon opnieuw en opnieuw en opnieuw…
Niemand die ooit iets aan me zag. Alleszins niemand die me er ooit naar vroeg. De verandering in mijn gedrag, het verliezen van kilo´s … ik vat het nog niet.

Met kwetsbaarheid omgaan vergt moed, wilskracht en doorzettingsvermogen. Met kwetsbaarheid omgaan vergt vertrouwen en een stevig netwerk om je op spoor te houden. Niet alle kwetsbare mensen beschikken daarover. Velen trachten  in hun eentje het hoofd boven water te houden, schermen zich af en komen in een isolement terecht. Er is geen ruimte om hun talenten te ontdekken, laat staan in te zetten.
Langs de andere kant beschikken ook niet alle zogenaamd sterke mensen over wilskracht of veerkracht. Of willen zelfs maar kijken naar hun kwetsbaarheid of die van anderen. Je hoeft niet te kijken als de omgeving waarin je je begeeft kabbelt. Maar wat doe je in tijden van verandering en onzekerheid?

Misschien wordt het tijd om de mosterd te halen waar hij zit.