Het vonnis: te nieuwsgierig

Toen ik de envelop dinsdag acht juli in mijn brievenbus vond, dacht ik dat het de factuur betrof van mijn verblijf aldaar voor de maand juni. Maar neen.

‘Geachte,

U verbleef in ons centrum krachtens vonnis van de vrederechter.
We delen u mee dat deze maatregel eindigt op 05/07/2014.

Met de meeste hoogachting,’

en deze woorden in opdracht ondertekend door de algemeen directeur van het Universitair Centrum St.-Jozef. Op datum van 07/07/2014.

Een personeelslid binnen het centrum heeft zich dus de maandag volgend op mijn vertrek aan zijn of haar computer gezet en zich de moeite getroost dit korte briefje op te maken, te ondertekenen en klaar te maken voor verzending …En dit allemaal om me te melden dat ik niet langer ter observatie in het ziekenhuis moet blijven. Iets wat de psychiater me twee weken eerder al mondeling met zoveel woorden had bevestigd toen ik vroeg of ik opnieuw voor de vrederechter zou moeten verschijnen. Niet dus. Maar ik mag me gelukkig prijzen, mijn thuisvaart op vijf juli wordt dus wellicht niet als een ontsnapping beschouwd. Ik zal de brief maar goed bijhouden.

Maar mag ik dit wél een vreemde brief vinden? Verwarrend? Ik weet het, ik ben nog niet lang thuis na een opname in de psychiatrie, ik ben ook nog erg kwetsbaar…maar jongens, ik denk niet dat ik momenteel hallucineer. Meer nog, ik besluit er eens het vonnis van de vrederechter bij te nemen. Om eindelijk te bestuderen wat nu exact de argumentatie was rond mijn gedwongen opname.

Een passage:

‘Hoewel mevrrouw bereid blijkt om de residentiële behandeling voort te zetten met inbegrip van de voor haar noodzakelijke medicatie-inname, zijn er hic et nunc te weinig garanties dat deze bereidheid zal blijven, mede in acht genomen het feit dat betrokkene de medicatie tot een minimum wil beperken en steeds zoekende is naar alternatieven. Dit is bovendien des te meer het geval daar zij vanuit haar omgeving aangemoedigd wordt om het zonder medicatie te doen, wat niet mogelijk blijkt.’

Waar zat/zit het vertrouwen? En zijn die garanties er nu wel? Getuig ik hier overigens niet van een gezonde nieuwsgierigheid dat ik op zoek ga naar alternatieven?

Ik streef inderdaad persoonlijk naar een minimum aan medicatie. Omdat ik, vanuit de verkregen stabiliteit, de symptomen van mijn ziekte wil aanpakken bij de bron. In de mate dat dat mogelijk is. Ik wil kunnen ‘voelen’ waar ik wankel. Op lange termijn zie ik meer heil in therapie dan in medicatie. En geloof me, dat is niet de eenvoudigste weg.

Wat is er overigens mis met psychotherapie en meditatie? Of doelt men in deze passage hierboven met het woord ‘alternatieven’ alleen op nog-niet-‘westers-schappelijk’ onderbouwde methodieken als authentic movement en biodynamische craniosacraal therapie? Of op improvisatietheater of autobiografisch schrijven? Want op die terreinen begeef ik me inderdaad. Ik ga er van uit dat hoe groter mijn instrumentarium is, hoe sneller ik kan herstellen.

Een feit is dat de snelheid waarmee ik hersteld ben in het ziekenhuis niet op maat was van een veertig dagen observatie. En ik mocht niet eerder naar huis wegens goed gedrag. Jammer vind ik dat. Want hoe langer ik weg ben, hoe meer ik vervreemd geraak van het leven ‘buiten’. Thuis. In de maatschappij. Ik vraag me af hoe het beleid hier in de toekomst in het kader van de vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg mee omspringt.

Die laatste zin in de passage van het vonnis laat ik even sudderen. Dat ‘mijn omgeving me aanmoedigt om het zonder medicatie te doen, wat niet mogelijk blijkt’.

Wat is ‘het’?
Gedachten dwalen af…
En ik glimlach.

Zal maar gaan slapen voor het weer uit de hand loopt. Herlezen is voor morgen.

10/07/2014 – 22u51