Een hoopje hoop om te delen

‘Zet u hier even neer, binnen een vijftal minuutjes zal er iemand u komen halen voor een bloedafname.’

Ik zette me neer in één van de vier sofa´s vlakbij de deur en keek wat rond in de recreatieruimte. Een zestal patiënten zat wat te lezen, te handwerken of op de computer te werken.
Het was er aangenaam stil. Een blonde jongeman stond op en liep de gang in. Het donkerharige meisje dat bij hem aan tafel zat keek hem na, plooide haar krant dicht en kwam in de sofa naast de mijne zitten. Ze vroeg of ik ook op de afdeling kwam voor een opname. Ik legde haar uit dat ik ambulant consult had bij mijn psychiater in het ziekenhuis. Voor de bloedafname moest ik even op de afdeling terecht en aangezien het nog teamgesprek was kwam ik hier even wachten. We raakten wat aan de praat en ze legde ook haar situatie uit. Dat ze nog maar sedert maandag op de afdeling was en haar ouders vanavond op gesprek kwamen om te bekijken of verdere opname zinvol was.

Even later kwam de jongeman opnieuw de ruimte binnen. Hij leunde twee minuten tegen de deurlijst en posteerde zich daarna in de sofa tegenover me met een krant op schoot. Hij was onrustig en vond duidelijk zijn draai niet. Hij uitte het ook. Dat het hem soms als ‘vanuit het niets’ overvalt.

Ik blijf het vreemd vinden dat mensen zo makkelijk hun verhaal tegen me doen. Maar beter zo dan zwijgen.

Het is een hele poos geleden dat ik hier mijn laatste blog schreef en dat heeft zijn redenen. De afgelopen maand was niet eenvoudig. Volgens de dokter zit ik nog in de ‘sombere’ nasleep van mijn ziekenhuisopname. Het is meer overleven dan leven. En daarbij kruip ik in mijn schulp en trek me terug. Alsof me wentelen in eenzaamheid het herstelproces versnelt… Oh ja, goede raad aan anderen, dat wel. Maar als het op mezelf aankomt mag ik ook best eens een lesje leren. Feit is dat schrijven de voorbije weken gewoon niet lukte. En dan zie ik dat er mensen op de blog komen kijken en die vinden enkel oud nieuws en daar voel ik me dan ook nog rot om.

Deze zaterdag verjaar ik. En mijn dochters willen een groot feest geven met veel vrienden. Ik hou het liever in beperkte kring. Nu toch. Misschien kom ik er ooit aan toe de hele bende mensen die om me geven rond een tafel te brengen en te laten toekijken als ik de talrijker wordende kaarsjes uitblaas. Misschien lukt het niet. Voor nu troost ik me met de gedachte dat er inderdaad een hele bende mensen zijn die om me geven. Mensen die het me durven zeggen dat het hen pijn doet als ik in mijn pijn geen uitweg meer zie. Verre contacten die me schrijven ‘jij verdient het om gelukkig te zijn’ of ‘geef nooit op’. En wellicht niet eens beseffen hoe warm die enkele woorden binnenkomen.

Ik voel opnieuw een sprankeltje hoop. En ik grijp het zachtjes beet. Morgen ga ik met mijn kinderen taarten bakken voor mijn verjaardag. Met al het bloed dat ik vandaag moest geven mag er best wat lekkers gesmuld worden.

En laat me intussen stiekem hopen dat mijn hoopje hoop mag groeien…zodat ik weer kan delen.

Het vonnis: te nieuwsgierig

Toen ik de envelop dinsdag acht juli in mijn brievenbus vond, dacht ik dat het de factuur betrof van mijn verblijf aldaar voor de maand juni. Maar neen.

‘Geachte,

U verbleef in ons centrum krachtens vonnis van de vrederechter.
We delen u mee dat deze maatregel eindigt op 05/07/2014.

Met de meeste hoogachting,’

en deze woorden in opdracht ondertekend door de algemeen directeur van het Universitair Centrum St.-Jozef. Op datum van 07/07/2014.

Een personeelslid binnen het centrum heeft zich dus de maandag volgend op mijn vertrek aan zijn of haar computer gezet en zich de moeite getroost dit korte briefje op te maken, te ondertekenen en klaar te maken voor verzending …En dit allemaal om me te melden dat ik niet langer ter observatie in het ziekenhuis moet blijven. Iets wat de psychiater me twee weken eerder al mondeling met zoveel woorden had bevestigd toen ik vroeg of ik opnieuw voor de vrederechter zou moeten verschijnen. Niet dus. Maar ik mag me gelukkig prijzen, mijn thuisvaart op vijf juli wordt dus wellicht niet als een ontsnapping beschouwd. Ik zal de brief maar goed bijhouden.

Maar mag ik dit wél een vreemde brief vinden? Verwarrend? Ik weet het, ik ben nog niet lang thuis na een opname in de psychiatrie, ik ben ook nog erg kwetsbaar…maar jongens, ik denk niet dat ik momenteel hallucineer. Meer nog, ik besluit er eens het vonnis van de vrederechter bij te nemen. Om eindelijk te bestuderen wat nu exact de argumentatie was rond mijn gedwongen opname.

Een passage:

‘Hoewel mevrrouw bereid blijkt om de residentiële behandeling voort te zetten met inbegrip van de voor haar noodzakelijke medicatie-inname, zijn er hic et nunc te weinig garanties dat deze bereidheid zal blijven, mede in acht genomen het feit dat betrokkene de medicatie tot een minimum wil beperken en steeds zoekende is naar alternatieven. Dit is bovendien des te meer het geval daar zij vanuit haar omgeving aangemoedigd wordt om het zonder medicatie te doen, wat niet mogelijk blijkt.’

Waar zat/zit het vertrouwen? En zijn die garanties er nu wel? Getuig ik hier overigens niet van een gezonde nieuwsgierigheid dat ik op zoek ga naar alternatieven?

Ik streef inderdaad persoonlijk naar een minimum aan medicatie. Omdat ik, vanuit de verkregen stabiliteit, de symptomen van mijn ziekte wil aanpakken bij de bron. In de mate dat dat mogelijk is. Ik wil kunnen ‘voelen’ waar ik wankel. Op lange termijn zie ik meer heil in therapie dan in medicatie. En geloof me, dat is niet de eenvoudigste weg.

Wat is er overigens mis met psychotherapie en meditatie? Of doelt men in deze passage hierboven met het woord ‘alternatieven’ alleen op nog-niet-‘westers-schappelijk’ onderbouwde methodieken als authentic movement en biodynamische craniosacraal therapie? Of op improvisatietheater of autobiografisch schrijven? Want op die terreinen begeef ik me inderdaad. Ik ga er van uit dat hoe groter mijn instrumentarium is, hoe sneller ik kan herstellen.

Een feit is dat de snelheid waarmee ik hersteld ben in het ziekenhuis niet op maat was van een veertig dagen observatie. En ik mocht niet eerder naar huis wegens goed gedrag. Jammer vind ik dat. Want hoe langer ik weg ben, hoe meer ik vervreemd geraak van het leven ‘buiten’. Thuis. In de maatschappij. Ik vraag me af hoe het beleid hier in de toekomst in het kader van de vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg mee omspringt.

Die laatste zin in de passage van het vonnis laat ik even sudderen. Dat ‘mijn omgeving me aanmoedigt om het zonder medicatie te doen, wat niet mogelijk blijkt’.

Wat is ‘het’?
Gedachten dwalen af…
En ik glimlach.

Zal maar gaan slapen voor het weer uit de hand loopt. Herlezen is voor morgen.

10/07/2014 – 22u51