Onzichtbaar

moritz-schmidt-17467-unsplash

Photo by Moritz Schmidt on Unsplash

Wil ik echt onzichtbaar zijn?

Ik hoorde het mezelf zeggen op de cursus die ik volgde afgelopen week. Hoe de facilitator er dan op inpikte door te zeggen hoe moeilijk het dan moest zijn als er zo aan me getrokken wordt.
Dat is het ook. Al twee keer het afgelopen jaar werd ik voor een project waar ik aan meewerk, gevraagd of ik op de radio wilde getuigen.
Neen dus. Ik wil meewerken, maar laat me buiten het vizier.

Ik hoef die ongezouten meningen niet van mensen die denken dat ze met A ook B kennen en dus vrijuit mogen spuien.
Wil ik überhaupt ook wel dit bericht geschreven hebben?

Zonet heb ik me nog eens aan freewriting gezet. Drie pagina´s schrijven aan één stuk door. Er vormden zich weer tranen in het laatste stuk. Herinneringen aan vernederingen toen ik op mijn zwakst was. Maar er kwam ook trots bovendrijven omdat ik toch telkens weer opnieuw begon. Hoe ik ook meestal mijn draai weet te vinden in werkomgevingen en thema´s waar ik niet in thuis ben.

Eigenlijk heb ik op dit eigenste moment zin om me even onder een deken te nestelen en eens goed te huilen. Helemaal in elkaar gekruld.

Maar mijn jongste is hier aan het studeren…dus houd ik me sterk. Toen een poos geleden tranen me weer overmanden, zei ze me kordaat dat ik moest stoppen met huilen. Of ik wist hoe erg ze het vond dat mijn gehuil haar niet meer raakte. Ik heb gereageerd dat ik geloofde dat het haar nog wel raakte, dat ze dit anders niet zou vragen. Maar dat ik kon begrijpen hoe moeilijk dit voor haar was om machteloos toe te moeten kijken, zelfs al had het gehuil niets met haar te maken.

Gisteren een uitgebreide babbel gehad met mijn oudste dochter. Ze had mijn Engels artikel over ‘luisteren’ dat ik eerstdaags de wereld instuur onder de loep genomen en ze had heel veel commentaar. Gaf op een bepaald moment ook aan dat zij in haar studie geneeskunde op dit moment heel andere dingen leert dan wat ik schrijf in mijn artikel. Heb haar gezegd dat ik me daarvan bewust ben. Dat de therapeutische distantie haar bestaansrecht heeft, dat het wordt gehanteerd met een reden, maar dat mijn benadering een mens-tot-mens benadering is waar de patiënt zich hoogstwaarschijnlijk meer bij gehoord voelt.

Ik heb de waarheid niet in pacht. Maar ik neem wel bestaande waarheden op de korrel als ze hun tijdsgeest ontgroeid zijn.

Misschien wil ik niet onzichtbaar zijn. Misschien wil ik me wel op elk mogelijk moment onzichtbaar kunnen maken. Wil ik geen aandacht op me. Toch zeker niet in een groep. Maar wel graag van mens tot mens in een setting waar ik de ander kan horen, zien en ten volle beleven. In een ruisarme omgeving.

Volgende week ga ik op restaurant met een goede vriend/ex-collega. En ik merk hoe ik in mijn arsenaal aan eetgelegenheden zoek naar eentje waar ik hem kan horen ook al spreekt hij niet luider dan anders. Waar ik zijn verhaal met gemak kan onderscheiden van dat aan andere tafels. En ik vind er niet meteen één.

Misschien wil ik zo onzichtbaar zijn als stilte.
Zichtbaar onder de juiste aandacht.

Spelenderwijs

nathaniel-tetteh-300252-unsplash

Photo by Nathaniel Tetteh on Unsplash

Wat wil door mij geschreven worden vandaag?

Stel je voor dat er helemaal niets wil geschreven worden, dan zit ik hier schoon iets te beginnen zonder opbrengst straks. Waar moeten al die letters dan naartoe?
Technisch werkloos.

Gisteren kreeg ik een sms van mijn baas met één woord: ‘visionair’.
Dit nadat ik hem de link naar een oud blogbericht over Eerste Hulp bij Psychisch Ongemak had ge-smst om na ons auto-gesprek van vrijdag aan te tonen dat ik het was die ooit ergens dat idee had gelanceerd waar hij nu blijkbaar mee aan de slag gaat.
(Heet dat dan ook delegeren als het in de omgekeerde richting is zonder dat je het uitspreekt? Haha…)
En dat ik me eindelijk verder wil verdiepen in ‘luisteren’ vertelde ik ook vrijdag, wat me in 2015 blijkbaar al bezighield, getuige datzelfde blogbericht.

En ik beantwoordde zijn sms met ‘Vis on air’, omdat ik dat een grappige woordspeling vond en ik anders niet zou weten hoe ik moest reageren op dit compliment.
Zeg je dan ‘dank je?’
Eén bericht verder rondde ik af dat ik mijn blik op mijn afwas ging werpen.
Om te zien wat er opborrelde naast vieze geurtjes, maar dat schreef ik er niet bij. Dat is hier en nu dichterlijke vrijheid. Je bent een frisdenker of je bent het niet hé.
De beste ideeën vinden mij trouwens vaak aan de afwas. Papier en pen ernaast, handen afvegen en neerpennen zodat het niet verloren gaat. Dus neen dochter, je doet mama geen plezier met haar een afwasmachine voor te schrijven.

Een kunstenaarsafspraakje zoals beschreven in het boek van Julia Cameron, ‘The artist´s way’ is ook een mooie oefening. Dat is een afspraak die je met jezelf aangaat om elke week minimaal een uur eropuit te trekken in je eentje. In de luistermodus ‘wat valt hier te ontdekken’. Om verwonderd te kunnen worden. Niet meteen om op zoek te gaan naar inspiratie, want zo werkt dat niet. Geen zoekende houding dus maar eerder een open en ontvankelijke houding.
En je na de uitstap neerzetten en verstillen. Die laatste actie voeg ik er zelf aan toe. Omdat het zo nog beter werkt voor mij. De prikkels die binnenkwamen laten bezinken en doorvoelen of er iets geraakt wordt vanbinnen. Iets zich vaag manifesteert als een ‘goestingske’ of ‘hoop’ dat zich naar de oppervlakte wurmt.

Vandaag ben ik zeker voldoende geprikkeld.
En dat ventje dat meerdere keren opzij viel van de slaap tussen de wriemelende massa, muziek en roezemoezende mensen, dat beeld hangt vast op mijn netvlies.
En daar ben ik dankbaar voor.
En ik ben ook dankbaar voor de bewustwording dat ik tussen deze bende mensen in de drukte veel beter kan aarden dan enkele jaren geleden. Me veel meer ontspannen voel ook, zodat ik kan genieten van wat zich aandient.
Meer nog, dat ik mezelf zelfs gooi in een dansje op de toeschouwersbank als ik er zin in heb. En dat ik me dan niet afvraag of ik me belachelijk maak. Daar ben ik ook dankbaar om. Mijn nicht durfde niet meedoen.

Aha! Werk aan de winkel. Kom op dan, werkloze letters!

Aanwezig zijn

sam-austin-438854

Photo by Sam Austin on Unsplash

Een paar dagen geleden probeerde ik de niveaus van luisteren te definiëren in mijn blogbericht met de titel Herwonderen en Verinneren. Maar ik kwam al snel tot de conclusie dat de indeling in vier niveaus niet het gehele spectrum aan mogelijkheden beschrijft. Een lezer gaf bijvoorbeeld aan dat ‘tussen de regels lezen’ ook een vorm van luisteren is, die in geen van de vier omschreven niveaus te vatten is. En wel belangrijk is voor chathulp bijvoorbeeld. Misschien is dat ‘onderzoekend luisteren’. Waarbij de vraag ‘wat wordt er niet verteld?’ van toepassing is.

Ik vraag me ook af hoe de verbinding kan worden gemaakt tussen niveaus van luisteren en het feit dat sommige mensen gevers zijn en andere graaiers.

Misschien is ‘luisteren’ in deze zoektocht wel het verkeerde woord. Moet ik spreken over ‘aanwezig zijn’. Waarbij de mate van openstellen van je sensoren dan de variabelen zijn. Ik weet niet of er mensen zijn die dat al hebben onderzocht. Maar ik durf de vrijheid nemen om tijdens het schrijven van mijn blogberichten te doorvoelen wat de woorden die tevoorschijn komen met me doen en of wat ik schrijf ‘juist is’ voor mij op dat moment.
En vaak bots ik dan vroeg of laat wel op een artikel of boek dat over mijn ‘onderzoek’ gaat en soms verdiep ik me daar dan in om te zien of er (h)erkenning optreedt met mijn nieuwe inzichten. Of dat ik mijn ‘theorieën’ moet bijsturen.

Maar wat ging ik alweer onderzoeken? Geven en nemen versus de niveaus van aanwezig zijn. Doet me meteen denken aan netwerkevents waar sommige mensen je helemaal overrompelen om ‘gezien’ te worden. Lap, daar heb je een ander zintuig. Ze laten van zich horen om gezien te worden. Ze laten je voelen dat ze er zijn. Mmmh, deze gaat een leuke kant op. Wat hebben we zo nog? Ze raken je door wat ze zeggen. Ze prikkelen je zintuigen…ik zal maar stoppen zeker 🙂

Bij spreken en kijken stuur je energie. Bij zwijgen en luisteren absorbeer je energie. Al ben ik nu al niet helemaal overtuigd van wat ik hier schrijf. Ik ken iemand die soms als ik praat en hij luistert, een waas voor zijn ogen krijgt. Meestal vraag ik dan of hij nog wel luistert. En veelal geeft hij dan toe dat hij aan iets anders aan het denken is. Dan stop ik meestal met vertellen. Omdat hij dus in zijn eigen hoofd kijkt in plaats van te verbinden met wat ik vertel. Misschien ‘neemt’ hij op dat moment mijn woorden om er zijn hersenkronkels mee te voeden of te analyseren. Alleszins niet fijn om zo´n luisteraar vóór je te hebben.

Anderzijds – en ik ben dat op dit eigenste moment aan het onderzoeken – kan je met je ogen ook ‘binnentrekken’. Gulzig kijken. ‘Nemend’ kijken. Dat voelt meestal intrusief voor de ander. Of voor het gebakje dat wil gekocht worden, als dat al gevoelens heeft.
En evenzo kan je gulzig luisteren. Nemend luisteren. Op zoek naar iets dat je kan gebruiken. Hopelijk om iets constructiefs mee te doen. Zoals ik doe als ik op pad ga en verhalen wil vangen. Om kleine verhalen over waarden en woorden te construeren op dit eigenste platform of elders.

Je hebt ook mensen die gulzig aanwezig zijn met slechte intenties. Ik denk spontaan aan de politiek, al ken ik daar niets van. De ander een hak zetten met een uitspraak die je hebt opgevangen. In een andere context plaatsen. Met als doel jezelf in een goed daglicht te zetten en de ander in de schaduw. Dan maar wachten tot de tijd verstrijkt. Er een ander licht valt op de zaak.

En in een cursus vertellen heb ik ooit geleerd dat je een berg op 500m afstand met je stem kan binnentrekken. Althans, dat je stem verder draagt als je je inbeeldt dat je de berg op 500 meter afstand in je mond binnen trekt.
Spreken voor publiek. U bent bij deze gewaarschuwd. 🙂

Maar de zon, die geeft, zoveel is duidelijk. Zij is gewoon de stille aanwezige waarover we zeuren als ze verborgen blijft. Volgens mij luistert ze liefdevol naar wat er zich hier allemaal afspeelt op deze aardkloot.

 

Zonder zever

samuel-zeller-379855Photo by Samuel Zeller on Unsplash

Ik ben toe aan dertig dagen zonder zever.

De campagne die nu loopt in Vlaanderen heet ‘dertig dagen zonder klagen’.
‘Klagen’ is ooit eerder ‘vlees’ geweest, al moest je dat veertig dagen volhouden, lees ik net. De andere campagnes vind ik niet meteen terug, al leg ik er ook niet veel moeite in, geef ik grif toe.

Ik doe alvast niet mee aan dertig dagen zonder klagen. Niets kan immers zo´n deugd doen als een lekker potje zagen en klagen. Geeft niet zelden inzicht ook trouwens, als je het observeert terwijl je het doet. Geeft opluchting ook. En dan eens goed lachen.

Zei een cursiste in mijn nieuwe reeks herstelschrijverij niet onlangs ‘dat deed deugd, eens goed zagen op papier’. Ze glunderde.
En ik zoek hier voor het gemak niet eerst op hoe de campagne in elkaar zit. Of er een definitie wordt gegeven van klagen, en of op papier klagen wel mag of niet. Ik ga gewoon af op de ‘kreet’ bij het formuleren van mijn gedachten. Dik twee dagen lui…

Als je niet mag klagen, wat moet je dan met je besoignes doen?
Allemaal meteen ombuigen in iets ‘positiefs’?
Is iets negatiefs (snel) ombuigen in iets positiefs altijd zo duurzaam dan?
Moet je je klachten inslikken? Opsparen voor de volgende dertig dagen in de hoop dat dat waarover je dan klaagt niet al gedateerd is? 😉

Dan liever de raad om net zoals je voor piekeren je moment kan kiezen, dit ook voor klagen te doen. En dan eens goed ventileren. Op papier. Of tegen een goede luisteraar. Waar je best wat variatie legt in je ‘klaagmuur’ om die ene goede luisteraar niet net te verliezen.

Ik moet niet echt hebben van die opgepoetste aanpak.

Er zijn heel wat mensen die vandaag de dag alle reden tot klagen hebben en hiervoor een forum verdienen. Wat gebeurt er met hen als zij deze kreet horen? Er zijn heel wat mensen die alle reden tot klagen hebben maar op een wachtlijst van een aantal maanden (met een beetje geluk) staan voordat ze hun klachten of zorgen kunnen ventileren bij een professional.
Wie heeft of krijgt trouwens reden tot klagen? Wie bepaalt dat?

Wat doet de modale burger vandaag? Die vraagt als hij je tegenkomt ‘alles goed?’
En hoe antwoordt mevrouw/meneer die vol zorgen zit maar hier en nu de tijd niet wil/durft nemen om daarover een tipje van de sluier te lichten?
‘Ja, ja…druk druk…en met u?’
En dan steken ze hun hand naar elkaar op en vervolgen hun weg met de overtuiging dat ze het er goed vanaf gebracht hebben. Misschien voelen ze het knagende gevoel van verlangen naar oprechte verbinding. Maar dat is niets om over te klagen. Eenzaamheid bestaat niet, toch?

Als je dan wil gaan voor 30 dagen, ga dan eens voor ’30 dagen zonder masker’. Of als je het positief wil formuleren (want negatief formuleren houdt in dat je iets ‘lastig’ ‘uit je systeem verwijdert’ en daarvoor moet je eerst dat ‘lastige’ onderkennen) ga dan voor ’30 dagen eerlijk’.

Ben benieuwd wat daar uitkomt. Misschien leren mensen elkaar zo nog eens écht kennen.

Potentialiteit

Hij zei dat hij nood heeft aan positiviteit in zijn omgeving. Dat het lijkt alsof hij en zijn dierbaren constant op de toppen van hun tenen lopen in een poging elkaar niet te enerveren. Dat hij zijn job alleen volhoudt omdat hij anders zijn eigen ruiten in gooit.

Ik kan me op dit moment moeilijk inbeelden hoe dat voelt. Maar ik heb wel aangegeven hoe jammer ik dat vind voor hem.
En ik heb niet doorgevraagd, ik heb vooral geluisterd.

Met hoeveel zouden ze ‘hier’ zo rondlopen, werkende mensen die doorgaan omdat ze geen alternatief hebben? Of geen alternatief zien.
En hoeveel niet-werkende mensen dromen van werk? En mochten we allemaal ons werk zelf kunnen vormgeven, hoe zou dat er dan uitzien? Wat behouden we, wat bouwen we uit en welk stuk staan we van harte af aan iemand die er meer talent en goesting in heeft? En wat met de randvoorwaarden?

Herinnert me aan de animatiefilm die me een poos geleden zo raakte:

Schreef ik een poos geleden ook niet ergens dat ik de ogen van mensen wil laten glanzen? Even opsnorren…

Wat ik wel hoop is dat via de dossiers waarin ik me vastbijt, samen met collega´s over de organisatiegrenzen heen, het leven van kwetsbare mensen draaglijker wordt. Dat hun ogen mogen gaan glanzen en hun hart ietsje sneller gaat kloppen, tussen de pijn door.

En zo een hoopje hoop ontstaat. Dat groeit.
Op weg naar overschotten hoop om te herverdelen.

Daar kan geen geld tegenop.
Die reis is onbetaalbaar.

Ik ben dankbaar dat ik mag doen wat ik doe.

En kreeg ik niet totaal onverwacht net vandaag een woord van dankbaarheid van iemand die van nabij de evoluties in dat ene grote dossier opvolgt en aangeeft dat het niet is omdat ik niet rechtstreeks van haar iets hoor, dat ze er niet aan meewerkt via één van de partners. Dat ze dat even wou laten weten.
Ja, dat mocht me raken…

Zou ik dat niet snel eens in mijn gastenboek schrijven? Zodat mijn gezeur en blokkade over de berg verslagen een beetje verbleekt bij de wetenschap dat het wel degelijk zin heeft wat ik doe? Dat er mensen zijn die er een hoopje hoop in vinden?

Dat het een hoop werk is om Hoop te leren geven, de dag van vandaag.
Zeg dat ik het gezegd heb.

Maar pak uw fiets, vind uw pedalen terug en trap, Fiducia.

Tijdmaker

soren-astrup-jorgensen-137467

Photo by Søren Astrup Jørgensen on Unsplash

Vandaag ben ik naar een werkgroep geweest over ‘kwartiermaken’. Van Dale leert me dat een kwartiermaker een ‘militair van een detachement is die uitgezonden wordt om voor de legering van zijn eenheid te zorgen.’  In de geestelijke gezondheidszorg is een kwartiermaker iemand die gastvrije plaatsen creëert voor kwetsbare mensen. Zodat ze zich ook buiten de muren van de zorginstellingen durven begeven zonder teveel extra opdoffers te krijgen door vooroordelen allerhande.

Er werden op de werkgroep goede praktijken voorgesteld als een concept van inclusief samenhuizen, het sociaal geïnspireerd kunstenaarscollectief OXOT en Enchanté, een concept geïnspireerd op de Carillon in Parijs, waarmee handelaars daklozen kunnen verwelkomen via een stikker op hun raam. Voor een stoel om even op adem te komen, een kop koffie, het gebruik van sanitair…en hopelijk een warm woord.

Vandaar mijn voorstel voor het volgend project of beroep: ‘Tijdmaker’.
Want het vergt niet zoveel van je om je deuren even open te zetten. Het geeft misschien zelfs een goed gevoel om iets te kunnen betekenen voor de ander.
Maar wil je echt iets betekenen, maak dan tijd om te luisteren.
En heb je geen tijd, maak die dan, met keuzes.

Met de vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg zullen meer en meer ziekenhuisbedden worden afgebouwd en zal zorg meer in de natuurlijke omgeving van de patiënt gebeuren. Met zorg aan huis, ondersteuning van het netwerk en bouwend op de eigen mogelijkheden en krachten van patiënten.
Maar de verhalen die leven, moeten een kanaal krijgen. Zowel de verhalen van de patiënten als die van hun directe omgeving.
Wie zal daar naar luisteren als niemand de tijd ‘heeft’? Als niemand hiervoor tijd maakt?

Ik wil wel tijd maken.
Zo heb ik vandaag om naar de vergadering te gaan de bus genomen. Anderhalf uur op en anderhalf uur terug. Ik wou immers verhalen vangen. Het openbaar vervoer is daar ideaal voor. Tijdens de heenrit merkte ik vooral op dat veel reizigers een praatje gingen maken met de chauffeur. En aan diens animo te merken apprecieerde deze dat wel. Eerst  een mevrouw (duidelijk een kennis) dan een allochtone man die de procedure om met GSM te betalen vergeten was. Geharrewar. Daarna hevige discussie met drie over de dienstverlening van De Lijn. Over de houding van sommige buschauffeurs. Toen de allochtone man afstapte stond een andere reiziger recht om het gesprek aan te gaan over lastige allochtonen. En ik merkte op dat de eerdere evenwaardige houding van de chauffeur er nu één was geworden vol vooroordelen.
Ik luister en neem waar.

De bus terug liet een dik kwartier op zich wachten. Een Aziatische vrouw die meer dan een maand geleden blond wou zijn had het hoofd van een slapende tienjarige jongen op haar linkerschouder. Ik vleide me op de bank achter hen. Iets te hoog om comfortabel te zitten. Een meisje van een jaar of zeven zat rechts op de zitjes naast het gangpad te slapen met haar hoofd tegen het raam. Roze legging en sportschoentjes.
Twee jonge blonde tienermeisjes met sporttas en ingevlochten haar installeerden zich protserig aan de achterste deur. Dansers?
Twee andere iets oudere Aziatische sportsters met strakke loopbroek en sporttas zaten wat giechelend gebogen over hun smartphone naast elkaar vooraan in de bus.

Mensen stappen af. Andere mensen stappen op.
Verhalen kruisen. Gedachten ‘wanderen’.

Mevrouw voor me bereidt zich voor op het verlaten van de bus.
Zoon stilletjes wekken. Kapje opzetten. Zachtheid.
Meisje stevig dooreen duwen. Haar naam sissen. Optillen en meenemen.

Onderscheid?

Mijn wens voor 2018 heeft bij deze vorm gekregen:
Maak tijd, met keuzes. Luister. En verwonder bijzonder.

 

In het oog van de stilte

carolina-sanchez-b-83117

Photo by Carolina Sanchez B on Unsplash

‘Mediteer jij?’ vroeg hij.
‘Ja, soms’ zei ik.
‘Ik ook. Ik heb dat nodig. ´s Ochtends, om mijn gedachten even een halt toe te roepen vóór ik de dag begin. De trein is daar ideaal voor.’

Het was me niet opgevallen dat iemand me in de gaten had. Ik was gewoon de trein opgestapt en omdat ik de vermoeidheid voelde besloot ik even mijn ogen te sluiten en me te verbinden met mezelf in aanwezigheid van de andere reizigers.
Klinkt wellicht vreemd als je zelf niet mediteert.

Ik had me naast hem gezet toen ik opstapte. Mogelijk had hij me in de spiegeling van de ruit zien zitten. En/of gewoon even opzij gekeken. En/of mijn energie gevoeld.
Het was een vriendelijke man met een open en oprechte glimlach.
Ik wenste hem een fijne dag toen hij een station vóór mij afstapte.

Nu voel ik opnieuw behoefte om me af te sluiten. Te verstillen. Ben ook in de mogelijkheid.
Niets meer omhanden dan een avond om te vullen. Met zelf gekozen dingen. De afwas staat te drogen. Afdrogen en wegzetten doe ik dadelijk, na deze portie woordbreien.
Mijn kersverse wondermooie boekje ‘dans me’ van Karla Stoefs met illustraties van An Candaele net voor een tweede keer gelezen. Zo mooi. Ik maak er mijn nieuwe lievelingsboek van, terwijl ‘Het land van de grote woordfabriek’ van Agnès de Lestrade met illustraties van Valeria Docampo naar de tweede plaats verschuift.

Allebei kinderboeken. Omdat zorgvuldig gekozen eenvoudige woorden en sprekende tekeningen blijk geven van goed te kunnen luisteren. Een vaardigheid die her en der nog wel placht te ontbreken. Er wordt in de wereld veel gezegd, een pak verzwegen maar weinig geluisterd.

Daarom ben ik zo blij dat ik voorlezer en voice-over ben. Tussen de regels door ‘luister’ ik hoe mijn woorden binnenkomen. Bij de kinderen en hun ouders die zitten te luisteren, of bij mijn imaginaire luisteraar die het Daisy-boek uitleent in de luisterpuntbibliotheek.

En hoewel ik het straatlawaai nu niet kan dimmen, geniet ik dit eigenste moment van stilte. In mijn hoofd. In mijn lichaam. In mijn huis.
Een grotere luxe kan ik me niet voorstellen.

Fijn weekend.

 

Sprokkels

edu-lauton-71055

Photo by Edu Lauton on Unsplash

Ze kent een verhaal. Ik vraag haar het te vertellen als mijn boekje uit is.
Met rechte rug zet ze zich op het puntje van haar kussen. Het verhaal ligt klaar op haar tong en wacht op mijn teken. Iedereen luistert geduldig.
Zus is al tien maar wil graag nog een verhaaltje. Loopt uit zorg kleine zus achterna als ze de ruimte uit loopt. Komt terug als zus weer veilig terecht is. Vertelt graag aan wie bereid is te luisteren. Schijnt dankbaar dat ze ons even alleen voor zichzelf heeft.
Ook kleine hij blijft liever naar het voorlezen luisteren dan naar een concert te gaan. Bijna twee uur lang. Papa volgt hem in die wens.
Papa twee vraagt of we er straks nog zullen zijn, nadat kroost kleur en vorm heeft gegeven aan hun eerste luisterervaring. Of zijn kinderen dan nog een verhaaltje mogen. Uiteraard. Met plezier en begeestering.
Papa drie wisselt mama af om bij beide dochters te blijven. Twee paar grote gulzige ogen. Alle sensoren open en twee kleine lijfjes languit gestrekt op de kussens.
Veel indrukken vandaag.

Straks ben ik een weekje ouder en wijzer misschien, bedenk ik me.

 

 

Talent

patrick-fore-358120

Photo by Patrick Fore on Unsplash

Als kind wilde ik zangeres worden. Ik ging met mijn vriendin naar de supermarkt om tussen de hoezen van de singles te gaan kijken en was helemaal weg van Nikka Costa.
Zo wilde ik zijn. Ik was toch ook 11 jaar net als zij.
Ik zie ons nog door de straat fietsen toen ik het mijn vriendin vertelde. Ze reageerde nogal laconiek. Dat snapte ik niet. We mochten allebei solo zingen op moeder- en vaderfeest op school dat jaar. Waarom zou ik dan niet ook een bekende zangeres kunnen worden?

Overigens was ik op vaderfeest mijn tekst kwijt. En ik keek in de coulissen naar de mimiek van de leerkracht van het zesde studiejaar en kon er niets uit brouwen.
Maar ik vond het niet erg. Mijn papa zat toch niet in de zaal. Ik vroeg me toen al af of al die papa´s dan niet moesten werken. Konden zij zomaar een dag vrij nemen om te komen kijken naar hun kind?
Ik ken het liedje nog uit mijn hoofd. Over Anouchka de zigeunerin. En dansen in het rond. Met een lange zwarte weidse rok die mooi mee in het rond draaide. Die had mijn mama speciaal voor de optredens gemaakt.

Mijn vriendin van toen is ook mijn beste vriendin van nu. En nog reageert ze soms wat laconiek op wat ik zeg. Maar ik vind het net een kracht van haar. Want bovenal is het een superwarme en lieve vrouw die ik voor geen geld zou willen missen in mijn leven.
Wat is ook alweer de voornaamste kwaliteit van een goede hulpverlener? Luisteren, ja. Mijn vriendin is daar een kei in. Ze luistert als ik ratel, ze luistert als mijn emoties overlopen, ze luistert naar mijn zottigheden en af en toe zegt ze net dat ene juiste ding waardoor ik weer in die subtiele energie beland. In haar energie. Eén en al rust en aandacht.

Ja, misschien is die eerste hit van Nikka Costa wel wat op de relatie met mijn liefste vriendin van toepassing.
Misschien moet ik alsnog leren zingen en ook een aria voor haar op youtube plaatsen.
Dat is erover zeker, niet?!

Ik zal haar dadelijk eens bellen, als alternatief.

Big Sister

sorasak-222550

Photo by Sorasak on Unsplash

‘Het is uit met zijn vriendin.’
‘Echt? Is hij depri?’
‘Dat weet ik niet.’

Einde discussie.

Twee treinstations en talloze akkefietjes verder:
‘Zij maakt foto´s van haar kat. Daar is echt een hoek af.’

Mensen beluisteren die het over rariteiten hebben. Een fijne tijdsbesteding op de trein. En ik hoefde niet meer te doen dan stil te blijven zitten en mijn oren te spitsen naar het gesprek op de twee zitjes achter me. Ze moesten eens weten dat ik hun woorden hier publiek maak. Zouden ze er dan een schepje bovenop doen? Of zouden ze op hun woorden letten? Een mens waant zich niet gehoord als hij zich in een kleine ruimte bevindt. Lekker intiem. Onder ons gezegd en gezwegen…weet je al…echt?!

Een mens waant zich ook niet bekeken op straat. Maar je wil niet weten hoeveel camera´s er hangen. Hoeveel camera´s en microfoons al ingebouwd zijn in ‘smart’ straatverlichting.

Zelf heb ik al twee drones in mijn tuin ontmoet. De eerste keer zat ik wat te werken aan mijn klaptafeltje toen een groot wit exemplaar met een zijde van een dertigtal centimeter op ettelijke meters boven mijn tuin bleef hangen.
Hallo?! Mag dat? Neen dat mag niet. Dat is inbreuk op de privacy.
En weg was hij nog vooraleer ik mijn gedachten had prijs gegeven en ik had zijn nummerplaat niet.
De tweede keer vond ik een brief tussen mijn post van een buurman. Hij was zijn ‘helikoptertje’ wellicht in één van de tuinen van zijn buren kwijtgespeeld. Of we het alstublieft konden terugbezorgen op adres zus, of verwittigen op vaste telefoon zo of mobiele telefoon plus… Ik was er meteen zeker van dat het projectiel zich in mijn tuin bevond. Het was echter te donker om te gaan kijken. De volgende ochtend schoot ik mijn kamerjas aan en een paar schoenen en trok de tuin in waar ik inderdaad zijn ‘helikoptertje’ vond. Dat er een camera op zit? Dat verzwijgen we voor het gemak. Dat hij boven mijn tuin, mijn privacy vliegt en beelden maakt, dat ook. Dat ik het vriendelijk zou gaan terugbrengen zodat hij zijn speeltje niet te lang moest missen, was buiten mijn aard gerekend.

Ik heb de wijkpolitie gebeld en verteld wat ik had gevonden. Ik had het kabeltje al losgetrokken en de geheugenkaart eruit gehaald. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik niet opgezet was met mijn vondst en dat zij dat aan de eigenaar mochten gaan uitleggen. Dat ik het zelf niet ging terugbrengen.

Een tiental minuten later stond een politieagent aan mijn deur. Duidelijk in zijn nopjes. ‘Dat heb je prima gedaan mevrouw’. Ik heb hem alles meegegeven en met kloppend hart de deur afgesloten.

Ja, er is intussen een wetgeving op het gebruik van drones.
Maar ook, ik vrees dat we maar half beseffen hoeveel we prijs geven.

Waar blijft die drone als hij kan registreren dat ik depri ben of er een hoek af is van mijn kat? Waar is mijn bezem om de volgende drone een welgemikte dreun te geven? Of vlieg ik er maar meteen achteraan op die bezem?