Het onderonsje

Egel leefde achteraan in de grote tuin in een nest dat goed verscholen lag. Hij had het er best naar zijn zin. Overdag deed hij na elke maaltijd een dutje en ´s avonds genoot hij van een beetje televisie kijken. Daar tussenin had hij zijn handen vol met boodschappen doen en zijn huis netjes houden. Hij deed alles rustig aan, zoals het een egel betaamt.
Voor vanmiddag hadden ze aangenaam weer voorspeld dus leek het Egel een goed idee om een ommetje te maken. Hij zou naar de bakker lopen en zich een vieruurtje aanschaffen. Zijn vriend ekster had hij al een paar dagen niet gezien, maar Egel had een sterk voorgevoel dat die vandaag even zou binnenspringen.

Ekster was een beetje gierig van aard, bracht zelf nooit een hapje mee maar Egel vond dat niet erg. Hij genoot van het gezelschap van Ekster en zou voor hem dus ook iets uitkiezen bij de bakker. Egel wist dat zijn vriend dol was op tompoesjes. Welk taartje Egel voor zichzelf zou uitkiezen wist hij nog niet. Hij zou zich wel laten verrassen bij de bakker.
Egel zag het helemaal zitten. Hij zette zijn stekels op, sloot de voordeur en vertrok.

Egel zette altijd zijn stekels op als hij het huis uit ging. De andere dieren uit de buurt waren erg nieuwsgierig en met zijn stekels hield hij hen een beetje op afstand.
“Laat ze maar loeren en roddelen” dacht hij “zolang ik het niet moet horen vind ik het allemaal oké. “
De afstand tot de bakker was ongeveer vijfhonderd meter. Over een uurtje ongeveer zou hij er zijn.

Ekster woonde enkele kilometers verderop. Hoewel hij al een respectabele leeftijd had, zat hij nog goed in de veren en vliegen, landen en lopen kon hij nog als de beste. Opstijgen lukte daarentegen steeds minder goed. Hij had de energie niet meer en om die reden kwam hij nog amper buiten. Zijn dochter bracht hem elke dag te eten en er kwam iemand van de thuishulp om zijn nest netjes te houden. Maar vandaag wou hij er tussenuit. Hij zou zijn trouwe vriend Egel nog eens een bezoekje brengen.

Ekster wou graag een hapje meenemen, maar aangezien hij dat amper kon dragen, laat staan mee torsen als hij zich afzet, zou hij gewoon zichzelf aandienen bij Egel in de hoop dat deze dat niet erg vond. Ekster liep tot aan het einde van de tak waarop zijn nest rustte, zakte door zijn poten en duwde zich af met alle kracht die hij in zich had. Een windvlaag verraste hem echter waardoor hij tegen de tak terug geduwd werd en hij onmenselijke kracht moest zetten op zijn vleugels om niet te pletter te storten. Het was gelukt, hij vloog. Maar de tranen stonden hem in de ogen en zijn vleugels deden pijn. Hij vloog op automatische piloot en intussen piekerde hij. Hoe moest het nu verder, als hij straks niet eens meer buiten kon voor een bezoekje aan zijn enige vriend.

Toen Ekster bij het hol van Egel arriveerde was deze nog onderweg naar huis. Ekster stond een beetje rond te draaien aan de voordeur en kraste “Egel…Egel!!”.
Geen reactie. Hij besloot te wachten en intussen wat op adem te komen. Hij voelde zich nog steeds erg somber.

Egel was opgetogen. De bakker had nog een tompoes in huis gehad en voor zichzelf had egel een carré confituur gekocht. Hij droeg het pakketje achter zich aan in zijn winkelkarretje. Deze hing met een snelbinder aan de vijfenzestigste stekel bovenop zijn rug, van aan zijn achterste te tellen. Die bewuste stekel stond verticaal en was het sterkst. Toen Egel zijn huisje naderde zag hij in de verte zijn vriend staan.
“Hé Ekster” riep hij “ik ben blij dat je er bent. Ik heb taartjes gekocht.”
Ekster keek hem met droevige ogen aan maar perste toch een glimlach uit zijn snavel. Hij riep echter niets terug.

Egel was niet van gisteren. Hij besefte dat Ekster moeite had met zijn leeftijd, dat hij niet meer goed kon opstijgen en dat hij daardoor vaak bedroefd was. Maar van een vieruurtje zou hij zeker opknappen.

Het onderonsje verliep in stilte. Ekster at zijn tompoes en Egel genoot van zijn carré confituur. Ze nipten af en toe van hun thee maar keken elkaar bewust niet aan. De stekels van Egel waren inmiddels weer plat en het winkelkarretje had hij netjes opgeborgen in de berging.

“Weet je”, sprak Egel “als je wil voer ik je naar huis met mijn karretje”.
Ekster keek op. “Zou je dat echt voor me doen?” vroeg hij.
“Tuurlijk, ik meen toch altijd wat ik zeg.”
“Je bent zo lief voor me. Je koopt altijd wat lekkers voor me en ik kan je niets teruggeven”.
“Onzin” sprak Egel. “Je komt bij me op bezoek. En jij bent de enige die dat doet. En ik weet dat je het moeilijk hebt en toch zeur je niet. Ik vind jou een moedige man Ekster. En ik breng je met alle plezier naar huis.”

En zo kwam het dat die dinsdag in september een egel vijf kilometer aflegde met achter zich een ekster in zijn winkelkarretje. Met een snelbinder aan de vijfenzestigste stekel vastgebonden.

Hoe Ekster uiteindelijk in zijn nest is geraakt weet niemand. Dat blijft het geheim van de twee goede vrienden.

Subtiteliteit

noah-silliman-149090-unsplashPhoto by Noah Silliman on Unsplash

Wat zou het opleveren?

Geen zin hebben in schrijven wegens toch wel wat moe na die intense dagen en er toch aan beginnen…
Waar hoop ik misschien stiekem op?

Nu denk ik meteen aan mijn treinrit naar huis, waarbij ik dankbaar was om acteur Josse De Pauw te kunnen beluisteren zodat de meute pubers me niet te veel overspoelde in hun gezamenlijke poging de interessantste reiziger in de wagon te zijn.
Kwetter kwetter al te pletter.

Dat Josse De Pauw de stoel zo´n fantastische uitvinding vindt.
Lap, eenzaam gegrinnik in een overvolle trein.
Die vraag had ik mezelf nog niet eerder gesteld. ‘Wat betekent de stoel in mijn leven?’
Maar inderdaad, de ene stoel is de andere nog niet en je even kunnen neerzetten en de omgeving op je in laten werken, ook ik ervaar dat als zeer waardevol.
Het kan dan wel zijn dat staand vergaderen efficiënter is, dat een bureau waar je al wandelend op een loopband aan werkt gezonder is voor onze kinderen en een zitbal beter is voor je rug. Maar je lekker neer vleien op een stoelig soort zit met de intentie alles nu eens te laten binnenkomen om te zien wat er geraakt wordt. Daar kan weinig tegenop. Of misschien toch, datzelfde liggend doen. Maar dan ben je al wat beperkter in je opties.

Maar hier hang ik dan weer. Toch wel behoorlijk uitgeteld.
Twee geboorteberichten ontvangen vandaag. Allebei jongetjes. Ik voel en voelde de muze echter vandaag niet aankloppen. Zal wel iets creëren als hij me vindt. En ik hem. En dan dansen we op één tegel en fluister ik hem toe dat ik twee gedichtjes wil. En dan laat ik hem los en scheiden onze wegen. Hij zwaait me nog na tot ik mijn rug keer en mijn toekomst opzoek, over zijn horizon. Tot hij dan mijn onderbewuste vindt en mij naar de pen doet grijpen. Hereniging 🙂

Zo schrijf ik een gedicht. Hoewel niet helemaal bewust dat het zo loopt. Misschien lieg ik dus. Maar ook dat zijn woorden, toch?!

Ik vraag me overigens af wat juffen en meesters ervan zouden vinden als hun leerlingen op deze manier schrijven over hoe ze schrijven. Of ze hen dan geloven. Of ze een rode streep zetten door de eventuele dt-fouten om de aandacht erop te vestigen dat net foutloos schrijven het belangrijkste is in een mensenleven. Ik ben in karikaturen aan het brouwen merk ik. Maar ik laat het even staan. Ik heb begrepen dat dit typisch een fenomeen is dat optreedt bij vermoeidheid. Dat dan de subtiliteit van de nuance verdwijnt. Mmmh…dat klinkt wel mooi. De subtiliteit van de nuance. Kan ik daar iets mee? De nuance van de subtiliteit. Is dat overigens een pleonasme?
Pfft…denken gaat even niet meer. Subtiteliteit nog aan toe….

Maar er zit wel zachtheid in en iets heel broos.
Misschien een weerspiegeling van hoe ik me nu voel.
Is dat het waar ik stiekem op hoopte? Dat door toch even al schrijvend stil te staan hoewel ik erg moe ben, er toch nog een inzicht aan de oppervlakte verschijnt…

Misschien is dat wel de kracht van kwetsbaarheid.
Vertrouwen koesteren. In zich(t).

Potentialiteit

Hij zei dat hij nood heeft aan positiviteit in zijn omgeving. Dat het lijkt alsof hij en zijn dierbaren constant op de toppen van hun tenen lopen in een poging elkaar niet te enerveren. Dat hij zijn job alleen volhoudt omdat hij anders zijn eigen ruiten in gooit.

Ik kan me op dit moment moeilijk inbeelden hoe dat voelt. Maar ik heb wel aangegeven hoe jammer ik dat vind voor hem.
En ik heb niet doorgevraagd, ik heb vooral geluisterd.

Met hoeveel zouden ze ‘hier’ zo rondlopen, werkende mensen die doorgaan omdat ze geen alternatief hebben? Of geen alternatief zien.
En hoeveel niet-werkende mensen dromen van werk? En mochten we allemaal ons werk zelf kunnen vormgeven, hoe zou dat er dan uitzien? Wat behouden we, wat bouwen we uit en welk stuk staan we van harte af aan iemand die er meer talent en goesting in heeft? En wat met de randvoorwaarden?

Herinnert me aan de animatiefilm die me een poos geleden zo raakte:

Schreef ik een poos geleden ook niet ergens dat ik de ogen van mensen wil laten glanzen? Even opsnorren…

Wat ik wel hoop is dat via de dossiers waarin ik me vastbijt, samen met collega´s over de organisatiegrenzen heen, het leven van kwetsbare mensen draaglijker wordt. Dat hun ogen mogen gaan glanzen en hun hart ietsje sneller gaat kloppen, tussen de pijn door.

En zo een hoopje hoop ontstaat. Dat groeit.
Op weg naar overschotten hoop om te herverdelen.

Daar kan geen geld tegenop.
Die reis is onbetaalbaar.

Ik ben dankbaar dat ik mag doen wat ik doe.

En kreeg ik niet totaal onverwacht net vandaag een woord van dankbaarheid van iemand die van nabij de evoluties in dat ene grote dossier opvolgt en aangeeft dat het niet is omdat ik niet rechtstreeks van haar iets hoor, dat ze er niet aan meewerkt via één van de partners. Dat ze dat even wou laten weten.
Ja, dat mocht me raken…

Zou ik dat niet snel eens in mijn gastenboek schrijven? Zodat mijn gezeur en blokkade over de berg verslagen een beetje verbleekt bij de wetenschap dat het wel degelijk zin heeft wat ik doe? Dat er mensen zijn die er een hoopje hoop in vinden?

Dat het een hoop werk is om Hoop te leren geven, de dag van vandaag.
Zeg dat ik het gezegd heb.

Maar pak uw fiets, vind uw pedalen terug en trap, Fiducia.

Tegenlicht

molly-belle-73279

Bij mijn weten ligt er in de organisatie waar ik werk geen visietekst over de inzet van ervaringsdeskundigen in de la van de directie. Ooit goedgekeurd door de Raad van Bestuur na wijs beraad. Toch werk ik er nu iets meer dan zes maanden en ben ik net aangeworven omdat ik inmiddels al tien jaar deuren plat loop op mijn eigen-wijze manier in de sector van de geestelijke gezondheidszorg.

Tien jaar als vrijwilliger. Als iemand die weet wat het is om chronisch psychisch ziek te zijn, dagelijks nog keihard knokt om daarmee om te gaan en zo meer inzicht krijgt in eigen denkpatronen en vooroordelen. Wijs te worden, zeg maar. En inzichten over wat ze ervaart, leert en oppikt te delen.

Als iemand die zo gevoelig is dat ze geen woorden nodig heeft om kink in een sfeer te vatten, maar dat aspect pas kon plaatsen nadat ze een vorming ‘hoogsensitiviteit: gave of opgave’ volgde, nu alweer vijf jaar geleden. Niet georganiseerd door de sector waarin ik me begeef overigens. Of hoe vreemd het is, om zelfs met je diagnose ineens niet meer zo vreemd te zijn tussen andere mensen die toevallig ook hooggevoelig zijn.

Was dat mijn intentie, werken in de Geestelijke Gezondheidszorg? Helemaal niet.
Had ik er een visie over? Helemaal niet.
Ervaring? Dat wel, als patiënt in diverse opnames.

Die visie en intentie zijn gegroeid. In de eerste plaats door te ervaren hoe eenzijdig de blik op zorg vaak is bij hulpverleners. Het sterke wij-zij denken. En het zien welke kloven kunnen dichten als je er een brug tussen bouwt. Tussen dat ‘wij’ en ‘zij’. Want ook onder de ‘wij’ van hulpverleners functioneren ’zij’ die ook de pet van de patiënt dragen. Maar er niet voor durven uitkomen omdat ze dan hun job kunnen verliezen.
Want hoe kan je voor anderen zorgen als je zelf niet helemaal ‘gezond’ bent, toch?
En ik zwijg nu even over de plaats van de familie, om het niet nodeloos ingewikkeld te maken.

Maar laat net dat onderdeel ‘inzet van ervaringsdeskundigheid’ deel hebben uitgemaakt van wetenschappelijk onderzoek. En laat nu net aangetoond zijn dat de inzet van ervaringsdeskundigen het herstel van de patiënt in de geestelijke gezondheidszorg bevordert.
‘Ja maar, hoe moet dat dan?’ hoor ik u denken. ‘We kunnen toch geen patiënten aannemen, die zijn onbetrouwbaar.’

Ja, dat zou je als werkgever kunnen zeggen.
Maar mag ik dan twijfelen aan uw goede zorg? Want waarvoor lapt u uw patiënten op? Zodat ze terug een rol kunnen opnemen in de maatschappij, toch?
Zodat ze weer betaald aan de slag kunnen misschien, toch?
Zodat ze u in die zorg voor anderen kunnen bijstaan ook? Of is dat toch net een brug te ver?

Ik werk nu zes maanden halftijds als betaalde frisdenker bij mijn huidige werkgever. Daarvoor werkte ik de helft van de uren bij een startup bedrijf. Daar had ik heel vaak mijn jobcoach nodig om mezelf in gezonde banen te blijven houden. Bij mijn huidige werkgever heb ik nog amper op die dienst beroep gedaan. Maar het besef dat ik iemand kan contacteren als ik het moeilijk heb op het werk, dat is een hele geruststelling. Dat mijn eigen-wijsheid en kwetsbaarheid bespreekbaar mogen zijn op de werkvloer is een steun. En werk mogen doen waarin ik geloof en waarvan ik zie wat het effect is op mensen die ik her en der inspireer of hoop geef, dat is waarvoor ik het doe.
In goede en kwade dagen.

De menselijke kant, zeg maar. De menselijke kant van zorg.

Mmmh. Dat vind ik wel een mooie om het weekend mee in te nemen.

Mijmering

download

Laat het me dan zelf eens hanteren. Het schrijven als herstelinstrument. De tranen amper gedroogd, de appel vers achter de kiezen. Zelfwaardegevoel  onder nul. Traan.

Gisteren schreef ik er dit over:

dat ik het weet
en telkens toch weer hoop
dat het de laatste keer mag zijn
en deze tijd een nieuwe is
die niet gevolgd wordt door pijn

helaas, de les is hard

maar zo verdicht in woorden
klinkt zelfs dit fenomeen apart

Gisteren kon ik nog half lachen.

Ik hoor het mezelf nog zeggen vorige donderdag. Een hele meute mensen kwam luisteren in Thomas More Hogeschool in Antwerpen naar wat o.a. de cursus ‘herstelverhalen schrijven’ voor henzelf of hun cliënten kan betekenen. En één dame zei ‘telkens ik me slecht voelde, begon ik te schrijven maar ik schreef op de duur mezelf vast. Ik doe het niet meer.’

‘Ik denk dat dat komt omdat je het schrijven enkel gebruikt om de negatieve dingen te gaan onderzoeken. Je moet ook met leuke aspecten van het schrijven aan de slag gaan’ zei ik.
In de cursus geef ik naast de thuisodrachten prikkelende oefeningen. Bijvoorbeeld op een bankje gaan zitten en kijken. Zien wat er verandert en je gedachten de vrije loop laten. Voelen. En daarover schrijven. Of luisteren naar de geluiden en zinnen die je opvangt. Zien of er iets prikkelends tussen zit waar je mee aan de slag kan.

‘Denk je dat jij me kan helpen?’ vroeg ze me hoopvol.
‘Ik denk het wel ja’ zei ik.
Kippenvel.

En zie…nu ben ik mezelf aan het helpen. Door me te herinneren dat ik iemand hoop heb gegeven. En yep, daar zijn ze weer, de tranen.

Zucht. Maar de zon wringt zich ook in het zicht. Dat geeft mij dan weer hoop. Dus in sé begint elke ochtend hoopvol voor mij. En als ik dan mijn persoonlijke mails nalees vind ik ook elke ochtend een spreuk van gratefulness.org
Ook dat stemt me heel even mild.

Het strengst ben ik naar mezelf. Boos dat ik er weer niet sta. Wellicht omdat ik vorige week weer te hard vloog. En dat ik het wist. En weet. En toch…hoop is iets vreemds.

Even geen woorden. Kom dat tegen.

Een dag herstel inbouwen. Mag ik het mezelf gunnen? Veel keuze heb ik niet. Mijn lichaam spreekt boekdelen. En zal ik dit dan op wordpress zetten of toch maar niet?

Zo maar even een mijmering ertussen.
Zon breekt helemaal door nu.
Zal maar afsluiten, zien dat ik al mijn bits niet op gebruik…

Participatie… Huh?!

‘Waar heb je die werkgever gevonden?’
De adviserend geneesheer van de mutualiteit leek oprecht nieuwsgierig.
‘Ik heb hem niet gevonden, hij heeft mij gevonden. Op Linkedin. Ik ben nogal actief op dat platform en hij vond me daar na het opgeven van enkele zoektermen.’

Het was 18 maart 2016 toen ik een verzoek kreeg om te connecteren via Linkedin. Even gesnuisterd op het profiel en het leek me ok dus connecteerde ik. Enkele dagen later kreeg ik de boodschap  ‘De reden waarom ik je contacteerde is dat we in onze startup op zoek zijn naar een partner die ons als senior/co-founder kan vervoegen in onze activiteit om steden/overheden te helpen met burgerparticipatie. Als dit thema, ondernemen en een start-up je interesseren mag je me contacteren.´

En of ik nieuwsgierig was. Ik gunde mezelf wat tijd en nam me voor twee dagen later terug te bellen na de website bestudeerd te hebben. Dat meldde ik ook. Daarop kreeg ik prompt een presentatie toegestuurd over een Europees project waar wij partner in zijn.

Zo gezegd zo gedaan, twee dagen later belde ik…met een bang hartje…
Je zal maar moeten meedelen dat je een invaliditeitsstatuut hebt en slechts deeltijds aan de slag durft…
Helaas, geen connectie.
We schrijven 22 maart 2016, aanslag in Zaventem en Brusselse metro, telefoonnetwerk volledig plat. Wat heen en weer pogingen, alvast een berichtje via Linkedin waaruit mijn enthousiasme voor het project mocht blijken.

Op 23 maart telefonisch contact, behoorlijk diepgaand interview over de projecten die ik jaren geleden coördineerde met middelen van de Koning Boudewijnstichting. Op het puntje van mijn stoel in een poging me te herinneren waarom ik o.a. anno 2008 bepaalde keuzes had gemaakt.
En wonder boven wonder…ik bracht het er blijkbaar goed van af. Na het telefoongesprek stuurde ik nog mijn net gepimpte CV door en kreeg de reactie ‘Het gevoel zit heel goed. Wat me ook aanspreekt in je profiel is dat je ook technische achtergrond hebt. Dus vertalen van wat we met de groep willen bereiken naar technische interactiemogelijkheden, die twee werelden linken.’

Inmiddels zijn we 19 juli 2016 en werk ik nu bijna drie maanden bij de startup als Participation Catalyst aan 10u per week. Mijn werkrooster is volledig variabel, ik mag van thuis uit werken en krijg ook de kans om in een internationale omgeving mijn talen weer bij te schaven.

Ja, ik ben trots. En neen, het is niet altijd even eenvoudig. Niet voor mij, maar zeker ook niet voor mijn werkgever. Ik ben onzeker, heb faalangst, wil het (meteen) goed doen en voel in heel mijn wezen hoe lang het geleden is dat ik nog een betaalde job had.
En ja, betaald worden maakt een verschil. Omdat ik dan alvast de druk voel dat het ‘goed’ moet zijn. Al weet ik diep vanbinnen dat ik goed werk kan afleveren. Zo zie en hoor ik wat mijn vrijwillige engagementen binnen o.a. de geestelijke gezondheidszorg teweegbrengen. Waarom dan niet daarbuiten? Waarom die twijfel?
Of het dus eenvoudig is, neen.

Er zijn al een drietal momenten geweest dat ik dacht ‘hier stopt het voor mij.´
‘Zie je wel dat ik niets kan’ komt ook vaak bovendrijven.
Maar ergens diep vanbinnen is er de drang om er iets van te maken. Al is het maar uit dankbaarheid voor de kans die ik nu krijg. Al is het maar omdat ik geloof dat dit ook een participatieverhaal is dat een voorbeeld kan zijn.
En ja, dwars door de angst en pijn gaan, ik ken het.
Ik voel me groeien. Ik voel het vertrouwen groeien.

Tien uur is overigens bitter weinig om je in te werken. Maar behoorlijk wat als je gezondheid er één is van onvoorspelbaarheid. Gelukkig ken ik mezelf intussen erg goed en weet ik wat  ik nodig heb om snel te herstellen.
Maar al bij al… ja, ik ben best wel trots op mezelf.

Laat dat op deze zomerse dinsdagavond maar mijn conclusie zijn.

Het vonnis: te nieuwsgierig

Toen ik de envelop dinsdag acht juli in mijn brievenbus vond, dacht ik dat het de factuur betrof van mijn verblijf aldaar voor de maand juni. Maar neen.

‘Geachte,

U verbleef in ons centrum krachtens vonnis van de vrederechter.
We delen u mee dat deze maatregel eindigt op 05/07/2014.

Met de meeste hoogachting,’

en deze woorden in opdracht ondertekend door de algemeen directeur van het Universitair Centrum St.-Jozef. Op datum van 07/07/2014.

Een personeelslid binnen het centrum heeft zich dus de maandag volgend op mijn vertrek aan zijn of haar computer gezet en zich de moeite getroost dit korte briefje op te maken, te ondertekenen en klaar te maken voor verzending …En dit allemaal om me te melden dat ik niet langer ter observatie in het ziekenhuis moet blijven. Iets wat de psychiater me twee weken eerder al mondeling met zoveel woorden had bevestigd toen ik vroeg of ik opnieuw voor de vrederechter zou moeten verschijnen. Niet dus. Maar ik mag me gelukkig prijzen, mijn thuisvaart op vijf juli wordt dus wellicht niet als een ontsnapping beschouwd. Ik zal de brief maar goed bijhouden.

Maar mag ik dit wél een vreemde brief vinden? Verwarrend? Ik weet het, ik ben nog niet lang thuis na een opname in de psychiatrie, ik ben ook nog erg kwetsbaar…maar jongens, ik denk niet dat ik momenteel hallucineer. Meer nog, ik besluit er eens het vonnis van de vrederechter bij te nemen. Om eindelijk te bestuderen wat nu exact de argumentatie was rond mijn gedwongen opname.

Een passage:

‘Hoewel mevrrouw bereid blijkt om de residentiële behandeling voort te zetten met inbegrip van de voor haar noodzakelijke medicatie-inname, zijn er hic et nunc te weinig garanties dat deze bereidheid zal blijven, mede in acht genomen het feit dat betrokkene de medicatie tot een minimum wil beperken en steeds zoekende is naar alternatieven. Dit is bovendien des te meer het geval daar zij vanuit haar omgeving aangemoedigd wordt om het zonder medicatie te doen, wat niet mogelijk blijkt.’

Waar zat/zit het vertrouwen? En zijn die garanties er nu wel? Getuig ik hier overigens niet van een gezonde nieuwsgierigheid dat ik op zoek ga naar alternatieven?

Ik streef inderdaad persoonlijk naar een minimum aan medicatie. Omdat ik, vanuit de verkregen stabiliteit, de symptomen van mijn ziekte wil aanpakken bij de bron. In de mate dat dat mogelijk is. Ik wil kunnen ‘voelen’ waar ik wankel. Op lange termijn zie ik meer heil in therapie dan in medicatie. En geloof me, dat is niet de eenvoudigste weg.

Wat is er overigens mis met psychotherapie en meditatie? Of doelt men in deze passage hierboven met het woord ‘alternatieven’ alleen op nog-niet-‘westers-schappelijk’ onderbouwde methodieken als authentic movement en biodynamische craniosacraal therapie? Of op improvisatietheater of autobiografisch schrijven? Want op die terreinen begeef ik me inderdaad. Ik ga er van uit dat hoe groter mijn instrumentarium is, hoe sneller ik kan herstellen.

Een feit is dat de snelheid waarmee ik hersteld ben in het ziekenhuis niet op maat was van een veertig dagen observatie. En ik mocht niet eerder naar huis wegens goed gedrag. Jammer vind ik dat. Want hoe langer ik weg ben, hoe meer ik vervreemd geraak van het leven ‘buiten’. Thuis. In de maatschappij. Ik vraag me af hoe het beleid hier in de toekomst in het kader van de vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg mee omspringt.

Die laatste zin in de passage van het vonnis laat ik even sudderen. Dat ‘mijn omgeving me aanmoedigt om het zonder medicatie te doen, wat niet mogelijk blijkt’.

Wat is ‘het’?
Gedachten dwalen af…
En ik glimlach.

Zal maar gaan slapen voor het weer uit de hand loopt. Herlezen is voor morgen.

10/07/2014 – 22u51

Diagnose: acute communicatiestoornis

Hoe doe je dat, duidelijk en empathisch communiceren dat je inderdaad allebei hetzelfde doel voor ogen hebt… Ik hoor u fronsen…

Anders geformuleerd, hoe maak je aan iemand die je wil helpen duidelijk dat het op één of andere manier niet ‘klikt’, dat de communicatie je erg onrustig maakt. En hoe doe je dat in een context waar jij erg afhankelijk bent, psychiatrisch patiënt in gedwongen opname bijvoorbeeld, en ‘hij/zij’ de behandelend arts die de sleutel tot jouw gezondheid en vrijheid bij zich draagt. Ik slik even voor ik verder schrijf… Blog je zoiets??

Mijn beschouwing is nochtans zuiver. De medicatie die ik voorgeschoteld krijg zit volgens mij juist. Ik voel me aansterken. Mag dagelijks enkele uren de afdeling verlaten met vrienden. Word niet gedwongen afdelingsactiviteiten mee te doen omdat die inderdaad niet noodzakelijk voedend zijn op dat eigenste moment. En ondertussen krijg ik nu ook al de vrijheid zelf te bepalen of ik al dan niet slaapmedicatie inneem. Ik ben ze vannacht opnieuw rond één uur gaan halen toen het zandmannetje weer vergat dat hij zand in mijn ogen moest strooien en niet tussen mijn lakens.

Het was een afspraak, ze werkte. Er was duidelijkheid. En ik ben er dankbaar voor.

Mondjesmaat krijg ik de verantwoordelijkheid weer in handen en langzaamaan koop ik vrijheid met gedrag dat past binnen de context. Durf me zelfs zachtjesaan opnieuw afvragen wat ik nog wil betekenen in dit leven.

Maar elke keer als ik op consult moet in de afdeling stap ik gestresst het dokterskabinet weer uit. Niet ONT-laden, maar OP-gedraaid. Omdat ik niet ‘rustig samen de uitspraak van de vrederechter wil overlopen’ als ‘die formulering er toch niet zo toe doet’. Dat ik niet wil nagaan ‘waar die angst vandaan komt’ als ik zeg dat ze al weg is nadat ik heb opgemerkt en uitgesproken dat ze er was. En dat net dát oplucht. En dat ik beaam dat ik weet dat ons doel hetzelfde is, maar dat het verdomd moeilijk is daar focus op te houden als je je systeem langzaamaan zo voelt opladen dat je naar de isolatiekamer verlangt om eens goed te brullen, tieren en slaan…
Hoewel je ‘woede’ als emotie nooit hebt gekend. En het wellicht net daarom gebeurt…

Ik ben niet de enige op de afdeling die zich niet helemaal ‘gehoord’ voelt. Laat ons de ‘communicatiestoornis’ zo maar noemen. Zou dit overigens ook in de DSM V bijbel staan?

Vreemd toch hoe een medepatiënte enkele dagen geleden haar hoofd op mijn rechterschouder legde, haar armen rond mijn onderarm haakte en zei ‘ik word zo rustig van jou’ nadat ze de dag ervoor had gevraagd ‘wat doe jij hier, jij bent toch geen patiënt?’
Vanmiddag vroeg een patiënt die net op de afdeling arriveerde me waarom ik hier zat. ‘Waarschijnlijk ook voor agressie?’ sprak hij grijnzend. Een vriend van me die ik deze anekdote sms´te reageerde met ‘dat is met al die tattoos op je armen, dat geeft een fout beeld’. Was lachen!
Ja, naar het schijnt straal ik dus rust uit…

Maar dat ik de ziel uit mijn lijf dans op de zes vrije tegels in mijn slaapkamer om de lading van het doktersconsult weg te leiden. Met de deur toe uiteraard…want was het niet omdat ik ‘vreemd’ aan het dansen was in de tuin thuis dat er aan de noodrem werd getrokken. En dat Christie, begeleidster van de Authentic Movement die me dans als therapie deed ontdekken graag op bezoek wil komen. Dat zwijg ik ook maar stil.
Neen, ik wijs niemand met de vinger. Geen gedrag is vreemd, als je de context mee in rekening neemt.

Een tijd geleden sprak ik een prof van de KULeuven aan met de boodschap ‘ik wil gastcolleges geven aan psychiaters in opleiding. Over communicatie, empathie en verbinding.’
En zie mij hier nu zitten. Bij elk woord aarzelend of het wel het juiste is. Hoe ik in godsnaam de dialoog met mijn behandelend arts hier op een rustiger manier kan tegemoet treden nadat ik dit hier online zet. Ik zou zeggen, hou ze nog maar effe vast daar…

 

Wat doe je met kwetsbaarheid?

Hoe graag wou ik iets in de wereld zetten waar mensen echt iets aan hebben. Met de inzichten die ik heb opgebouwd in die zeventien jaar dat ik een chronische ziekte hanteer. Met de ervaringen en visie die ik ontwikkelde bij de vele sollicitaties, de omgang met collega´s en mijn vrijwilligerswerk.

Dus volgde ik workshops businessplanning. De ene gaf al meer ‘goesting’ dan de andere. Ging ik met een organisatie praten die sociale ondernemers financiert met risicokapitaal. Mijn missie en visie, kort door de bocht ‘kwetsbaarheid op de kaart zetten’, werden daar met open armen onthaald, maar ik kreeg het advies mijn aanbod uit te werken en ‘vermarktbaar’ te maken. Een vriend raadde me aan om een boek te schrijven, omdat dat mijn credibiliteit zou vergroten. Ik startte daarop een blog, een ‘haalbaarder’ alternatief. Ik zocht mensen op die ik al op mijn pad was tegengekomen en die me aanknopingspunten gaven. Ik belde rond, deed mijn verhaal en er was interesse…om mijn inzichten te komen delen, om geïnterviewd te worden…maar betalen voor wat ik te bieden heb, neen, dat vooralsnog niet.

Twee dagen geleden stapte ik, of beter fietste ik, naar de adviserend geneesheer van de mutualiteit voor een adviesgesprek. Om te horen of het kon om langzaam iets op te bouwen als zelfstandige met een bijpassing van mijn uitkering omdat voltijds werken vooralsnog niet haalbaar is gezien mijn gezondheidstoestand. Het was een arts die ik nooit eerder zag. En ze raadde me af als zelfstandige te starten. In mijn situatie is het risico te groot. Bovendien is die combinatiemogelijkheid beperkt in de tijd, toch wanneer je voor je werkonbekwaamheid nog geen zelfstandige was. Het was een open en eerlijk gesprek, ze gaf enkele voorbeelden en ik kon niet anders dan haar logica volgen. Overigens had ik de zelf gemaakte afspraak bijna afgebeld, omdat ik een week ervoor terug gekatapulteerd was naar een gezondheidstoestand waarmee ik vijftien jaar geleden in allerijl in het ziekenhuis belandde. Wellicht een neveneffect van het stopzetten van een medicijn, overigens wel op advies van mijn specialist. Hoewel het loeihard was zat er diep in mij het vertrouwen dat ik ook hier uit zou komen. Ik deed basale dingen waar ik trots op kon zijn. Ging wandelen. Deed de afwas. Ging met de grove borstel door wat kastruimten. Intussen heeft mijn systeem een nieuw evenwicht gevonden. Bij de adviserend geneesheer heb ik gehuild omwille van mijn situatie, ik verontschuldigde me, zei dat dat niet mijn bedoeling was, maar zij vond het niet erg. Intussen zijn we een week verder, ben ik het ergste dieptepunt al bijna vergeten en zette ik inmiddels op linkedin dat ik op zoek ben naar een halftijdse job in een adviserende functie. Met de toevoeging ‘kwetsbaarheid geeft meer-waarde’. Misschien nogal sullig maar het is nu eenmaal waar ik in geloof.

Ik wil nog steeds in de wereld zetten wat ik belangrijk vind. Ik zie in mijn omgeving dat er ook nood aan is. Maar ik kan het dus niet alleen en heb een structuur nodig van waaruit ik mijn ding kan doen. Ik heb mensen nodig die in mij geloven. Ik heb mensen nodig die me tonen dat ze mijn ideeën echt waardevol vinden.

Dat is waar ik sta. En nu ga ik de tuin opzoeken. Een beetje ‘aarden’.

Kwetsbaarheid in de ogen kijken

Photo by Sarah Mak on Unsplash

Zesentwintig was ik toen ik als coördinator de verantwoordelijkheid kreeg over een groot pilootproject. In die functie rapporteerde ik aan de algemeen directeur. De organisatie telde toen ongeveer 900 personeelsleden. Mijn aanwerving had niet veel gescheeld want mijn derde afspraak belde ik af omdat mijn oudste dochter, die toen tien maanden oud was, in het ziekenhuis lag met Osteomyelitis. Ik bleef ´s nachts bij haar en wisselde overdag de wacht om te kunnen gaan werken.
Er was begrip bij de personeelsverantwoordelijke, ik kreeg een nieuwe afspraak en kwam twee weken later op gesprek bij mijn toekomstige baas, me niet realiserend dat hij algemeen directeur was.

Hij gaf ruimte aan mijn emoties voor we overgingen tot de orde van de dag. Toen ik meedeelde dat ‘mijn dochter er wellicht niet aan zou sterven’ zag ik een krimp bij hem, wat me even uit evenwicht bracht. Twee weken later vatte ik dat moment, toen een collega uit zijn persoonlijke vertrouwenskring me toevertrouwde dat hij kanker had ‘maar ik moest het zwijgen’. Een vergiftigd geschenk.
Bij elke vijf minuten die ik kreeg voor een overleg, was ik me bewust van zijn pijn. Wilde er rekening mee houden. Eén keer opperde ik voorzichtig om een andere keer terug te komen, maar hij weigerde.
De laatste keer dat ik hem hoorde was aan telefoon. Ik wilde voor een overheidsdossier uitsluitsel over een financieel aspect. Hij lag in het ziekenhuis en de laatste chemokuur had niet aangeslagen. Ik durfde niets te zeggen over zijn kwetsbaarheid of over hoe graag ik met hem had samengewerkt.
Niemand anders binnen de organisatie wist het fijne van mijn werk. Niemand anders binnen de organisatie interesseerde zich in mijn dossier.

Zijn dood werd me bekendgemaakt tijdens de bevallingsrust n.a.v. de geboorte van mijn tweede dochter. Ik ging naar de begrafenis, maar alles was me vreemd. Ik ploeterde nog enkele maanden voor ik werd opgenomen in het ziekenhuis. Liep toen naarstig door de afdeling op zoek naar ‘mijn baas’. Ik was er van overtuigd dat ik hem zou genezen met mijn ruggenmerg. Het zou niet de laatste keer zijn dat mijn verbeelding met me aan de haal ging. Maar ik herstelde, bleef moedig en worstelde verder. Zocht ander werk. Ik begon opnieuw en opnieuw en opnieuw…
Niemand die ooit iets aan me zag. Alleszins niemand die me er ooit naar vroeg. De verandering in mijn gedrag, het verliezen van kilo´s … ik vat het nog niet.

Met kwetsbaarheid omgaan vergt moed, wilskracht en doorzettingsvermogen. Met kwetsbaarheid omgaan vergt vertrouwen en een stevig netwerk om je op spoor te houden. Niet alle kwetsbare mensen beschikken daarover. Velen trachten  in hun eentje het hoofd boven water te houden, schermen zich af en komen in een isolement terecht. Er is geen ruimte om hun talenten te ontdekken, laat staan in te zetten.
Langs de andere kant beschikken ook niet alle zogenaamd sterke mensen over wilskracht of veerkracht. Of willen zelfs maar kijken naar hun kwetsbaarheid of die van anderen. Je hoeft niet te kijken als de omgeving waarin je je begeeft kabbelt. Maar wat doe je in tijden van verandering en onzekerheid?

Misschien wordt het tijd om de mosterd te halen waar hij zit.