Raar he…Toch wel.

‘Raar he…Je denkt nooit dat het jou zou overkomen…Je zal er sterker uitkomen’

Dat stuurde hij als antwoord op mijn sms ‘Verdict gekregen. Gedwongen opname tot 5 juli (…) Nu lig ik in de zon op een bankje. Even bevatten. Alice in Wonderland…’

‘Hij’ is een ex-collega met wie ik contact hield toen ik ervoor koos mijn loopbaan een andere wending te geven enkele jaren geleden. ‘Hij’ was de enige die ik toen vroeg of hij het ok zou vinden om contact te houden. Niet dat ik hem goed kende of vaak zag toen. Maar de samenwerking was wel heel fijn geweest. Heel professioneel, to the point verslaggeving en duidelijke toelichting waar ik erom vroeg. Contact houden met hem was een keuze die uit mijn hart kwam. En hij vond het een goed idee. En nu ‘is’ hij er op de manier die ik hierboven beschreef. En verdomd, dat voelt fijn.

Bij deze is het dus weekend, tik ik hier op mijn laptop in mijn kamertje in het psychiatrisch ziekenhuis in Kortenberg een blogbericht en komen straks voor het eerst mijn kinderen op bezoek. Dinsdag beginnen hun examens. Ik hoop dat ze zich zullen kunnen concentreren met de wetenschap dat mama in goede handen is. Met de wetenschap dat ze op elk moment mogen bellen, om even hun frustratie te uiten over examenvragen die te moeilijk waren, een traan te laten als het niet helemaal verloopt zoals ze hadden gehoopt en/of te zeggen of verzwijgen dat ze me missen. Zoals ik hen.

Ik ben nu een tiental dagen opgenomen. De regeling van de gedwongen opname schrijft voor dat ik tenminste tot 5 juli in een gesloten afdeling blijf. Naargelang hoe ik me gedraag zal ik wellicht wat vrijheid krijgen, met mondjesmaat. Even buiten de afdeling, een luchtje scheppen. Als morgen een bevriend koppel me bezoekt zal ik wellicht een terrasje doen maar die Maneblusser zal ik dan maar even uitstellen. Niet alles is overal mogelijk. En ook de maan hoeft niet altijd geblust te worden.

Daarstraks heb ik even enkele dagen teruggespoeld in de tijd om te zien wat ik online de wereld heb ingestuurd. Pijnlijke ontdekkingen weer. Waar ik schaamrood zou van kunnen krijgen. Maar ik besluit dat niet te doen. Geen pogingen meer om de berichten weg te halen. Ja, ziehier komt het verdriet weer opzetten. Stoor u niet aan de tranen die rollen bij het verder schrijven aan deze blog. Ze zijn van mij en voegen inhoudelijk geen waarde toe aan deze woorden.

Ik leef. Wist u dat al?

‘Ik leef omdat ik kinderen heb.’

Dat was wat ik ooit tegen mijn vorige psychiater zei tijdens een consult. En hij schreef het op. En ik vroeg waarom hij dat opschreef. En hij keek me indringend aan en antwoordde ‘Omdat ik dat een belangrijke uitspraak vind.’

Soms ben ik moe. Soms denk ik dat de wereld beter af zou zijn zonder me. Dat zelfs mijn kinderen beter af zouden zijn zonder mij.  Maar dan krijg ik plots weer een klein bericht van iemand, kijk ik door het raam naar de zon die op het grasveld schijnt en denk ik….’Neen, ga niet weg. Vlucht niet. Je bent de moeite waard. Hou je vast, aan wat dan ook.’

En soms waan ik me dan een klein pluisje dat voorbij dwarrelt en dat ik zelf tracht te grijpen. En voel ik me als Alice in Wonderland.

Nieuwsgierig. Maar ook een beetje kwetsbaar. Toch wel.

Te vertrouwen, hoezo?

Ze kwam met forse tred naast me lopen op de Antwerpse Meir. Dat ze verwonderd was dat die man haar toch een nieuw toestelletje had gegeven. Ze had het pas gekocht en het kostte wel niet veel maar het was stuk. Dat mocht toch niet. Maar hij was vriendelijk geweest en ze had een nieuw gekregen.

Dat de mensen van nu niet meer te vertrouwen zijn.

Ik kon het niet laten haar er toch even op te wijzen dat ze wel naast mij kwam lopen en haar verhaal deed, hoewel ze me niet kende.

‘Maar jij bent te vertrouwen.’ zei ze. ‘Dat zie ik zo. Maar andere mensen…’

Interessante denkpiste. Ik moest moeite doen haar bij te houden. Ze schreed voort met haar hoofd naar beneden, vertelde aan één stuk door en keek me slechts even aan als ik duidelijk tot haar verbazing een vraag stelde. Volgens mij was ze steeds onderweg om zich te ergeren aan het volgende onrecht.

Ze wees me op de jas die ze aanhad. Die had ze in de kringloopwinkel gekocht en thuis had ze ontdekt dat hij vuil was. ‘Wie doet dat nu, een vuile jas afleveren?’ Zij had er wél voor moeten betalen!

Ik vroeg me af of ze helemaal tot aan het station zou meelopen. Of ik haar met een smoes zou ‘loslaten’. Maar ik besloot haar ruimte te geven om haar verhaal te doen. En ze ratelde maar door. Dat er in het appartement waar ze woonde al twee fietsen van haar gestolen waren, waaronder die van haar kleindochter. ‘Kunt ge u dat nu voorstellen?’ Dat ze er nu geen meer kocht. En dat het slot van haar voordeur stuk was en de huisbaas het niet herstelde. ‘Oh manneke, ge komt wat tegen in Antwerpen.’ Ze nam afscheid en stoof met forse tred de winkelgalerij vlakbij het centraal station in. Duidelijk zeer doelbewust op weg naar, ach…

Bij mij bleef ze plakken. Op de trein naar huis. En tot nu, omdat zij één van die mensen is die mijn leven kleur geeft. Die mij de wereld in vraag doet stellen.

Wat maakt dat je mensen vertrouwt? Wat maakt dat mensen je de rug toekeren?

Hier zag ik een vrouw die duidelijk haar verhaal wilde doen. Die misschien weinig mensen in haar omgeving heeft die luisteren. Misschien ratelt ze zoveel dat mensen uit haar directe omgeving haar uit zelfbehoud de rug toekeren. Of misschien is het niet omdat ze veel ratelt, maar omdat het zelden positieve boodschappen zijn. Ik denk trouwens dat het lichtpuntje dat ze wel een nieuw toestel had gekregen al verdwenen was in de duisternis van haar andere ervaringen. Of zou ze toch bij haar koffie even denken ‘amai, dat was wel een vriendelijke madam daar, toen.’ Of zou ze over me vertellen als haar kleindochter op bezoek komt? Of er een stukje over schrijven in het dagboek dat ze verstopt tussen de miskopen van de kringloopwinkel? Zolang niemand het maar leest.

Gedachtensprongen. Niet te vertrouwen.