Job interview: waarom waarden tellen

cindy-tang-25654

Afgelopen dagen trokken twee artikels mijn aandacht: ‘Job interview: Why only 3 questions really matter’ van Richard Marr en ‘Welke waarden willen we?’ van Jochanan Eynikel van VKW. Beide artikels herinnerden me aan een sollicitatie van een aantal jaren geleden.

Ik had gereageerd op een vacature bij de Vlaamse Overheid. Volgens mijn interpretatie van het profiel dat ze zochten, had ik de nodige competenties en ervaring om de job goed uit te voeren en het vooruitzicht van organisaties te kunnen informeren, verbinden en op samenwerkingsspoor zetten maakte me zelfs bij het lezen al enthousiast. Restte er van de drie vragen van Bernard Marr nog de laatste ‘Will you fit into the team, culture and company?’

Bij elke sollicitatie neem ik vooraf even telefonisch contact op met de organisatie om al een eerste indicatie te krijgen van de communicatiestijl. Wel zo handig ook bij het schrijven van de sollicitatiebrief, ik kan dan in mijn eerste regel verwijzen naar ons telefoongesprek. Dat deed ik dus ook hier. Er was me iets onduidelijk in de functieomschrijving dus vroeg ik daarnaar, naast enkele vragen over het team waarin ik zou terechtkomen. De vrouw die ik aan de lijn kreeg, de coördinatrice van het project waarvoor deze functie was uitgeschreven, was kort van stof. Ze verwees me meerdere keren naar de website. Al had ik daar gekeken en niet gevonden wat ik zocht. Maar dat had ik misschien beter gezwegen. Ik hield een wrang gevoel over aan het gesprek, maar had toch afgesloten met de melding dat ze mijn kandidatuur weldra mocht ontvangen.

Een tijdje later kreeg ik een telefoontje van een personeelsverantwoordelijke waarop ik uitgenodigd werd voor een gesprek. Ik zou een schriftelijke opdracht krijgen gevolgd door een gesprek voortbouwend op de opdracht. De opdracht was niet moeilijk, ik had immers de website grondig doorgenomen en de vragen betroffen vooral een situering van de werkzaamheden binnen de ruimere context van de Vlaamse Overheid en de stakeholders.

Bij het gesprek waren drie mensen aanwezig waaronder de coördinatrice die ik aan telefoon had gehad en de personeelsverantwoordelijke. De derde persoon ontgaat me nu, maar het was me na één korte overschouwende blik al duidelijk dat die man op ‘vertrouwde’ voet stond met de coördinatrice. Het gesprek verliep zoals wel meerdere sollicitatiegesprekken verlopen, hoewel ik vaak merkte hoe de coördinatrice oogcontact maakte met haar bondgenoot (vergeef me mijn terminologie) bij bepaalde uitspraken die ik deed. Het viel me op dat haar antwoorden vaak ook antwoorden waren naast de vragen die ik stelde, wat me verwarde. In my humble opinion is een evenwichtig sollicitatiegesprek een dialoog en geen vragenvuur of monoloog en al zeker geen keuring. Maar wie ben ik.

Mijn gevoel zat niet helemaal goed en op de laatste vraag die ze stelden ‘wat is er voor jou cruciaal in deze job?’ antwoordde ik ‘dat de cultuur juist zit voor mij.’ Ik zag de coördinatrice met grote ogen en haar hoofd zelfs een beetje schuin kijken naar haar bondgenoot. Ik vulde aan dat de cultuur me het best duidelijk zou worden als ik even met het team kon kennismaken, samen lunchen bijvoorbeeld of een vergadering meelopen. Er werd wat heen en weer ‘geblikt’ maar de vraag bleef hangen.

De personeelsverantwoordelijke vroeg me of ik nog vragen had of eventueel nog iets wou toevoegen. Ik meldde nog dat ik geslaagd was voor de generieke proeven van niveau A – wat eigenlijk enkel voor statutaire functies van belang is en niet voor een contractuele betrekking als deze, maar toch…het geeft m.i. alleszins wel een indicatie van de ‘waarden’ die ik hanteer. Daarnaast vulde ik aan dat ik een erkenning heb voor een arbeidshandicap. Dat is een erkenning die de VDAB uitreikt op basis van een diagnose van een specialist. Organisaties die iemand met zo´n erkenning aanwerven krijgen een tegemoetkoming in hun loonkost. Ik meld dat dus niet overal, omdat ik wil aangeworven worden op basis van mijn kwaliteiten en niet omwille van mijn ‘voordelen’. Maar bij de Vlaamse Overheid mocht ik dit wel toevoegen meende ik.

Een hele poos hoorde ik niets. Maar er kwam een vervolg, dat ik in een volgend bericht zal neerschrijven.

Kwetsbaarheid in de ogen kijken

Photo by Sarah Mak on Unsplash

Zesentwintig was ik toen ik als coördinator de verantwoordelijkheid kreeg over een groot pilootproject. In die functie rapporteerde ik aan de algemeen directeur. De organisatie telde toen ongeveer 900 personeelsleden. Mijn aanwerving had niet veel gescheeld want mijn derde afspraak belde ik af omdat mijn oudste dochter, die toen tien maanden oud was, in het ziekenhuis lag met Osteomyelitis. Ik bleef ´s nachts bij haar en wisselde overdag de wacht om te kunnen gaan werken.
Er was begrip bij de personeelsverantwoordelijke, ik kreeg een nieuwe afspraak en kwam twee weken later op gesprek bij mijn toekomstige baas, me niet realiserend dat hij algemeen directeur was.

Hij gaf ruimte aan mijn emoties voor we overgingen tot de orde van de dag. Toen ik meedeelde dat ‘mijn dochter er wellicht niet aan zou sterven’ zag ik een krimp bij hem, wat me even uit evenwicht bracht. Twee weken later vatte ik dat moment, toen een collega uit zijn persoonlijke vertrouwenskring me toevertrouwde dat hij kanker had ‘maar ik moest het zwijgen’. Een vergiftigd geschenk.
Bij elke vijf minuten die ik kreeg voor een overleg, was ik me bewust van zijn pijn. Wilde er rekening mee houden. Eén keer opperde ik voorzichtig om een andere keer terug te komen, maar hij weigerde.
De laatste keer dat ik hem hoorde was aan telefoon. Ik wilde voor een overheidsdossier uitsluitsel over een financieel aspect. Hij lag in het ziekenhuis en de laatste chemokuur had niet aangeslagen. Ik durfde niets te zeggen over zijn kwetsbaarheid of over hoe graag ik met hem had samengewerkt.
Niemand anders binnen de organisatie wist het fijne van mijn werk. Niemand anders binnen de organisatie interesseerde zich in mijn dossier.

Zijn dood werd me bekendgemaakt tijdens de bevallingsrust n.a.v. de geboorte van mijn tweede dochter. Ik ging naar de begrafenis, maar alles was me vreemd. Ik ploeterde nog enkele maanden voor ik werd opgenomen in het ziekenhuis. Liep toen naarstig door de afdeling op zoek naar ‘mijn baas’. Ik was er van overtuigd dat ik hem zou genezen met mijn ruggenmerg. Het zou niet de laatste keer zijn dat mijn verbeelding met me aan de haal ging. Maar ik herstelde, bleef moedig en worstelde verder. Zocht ander werk. Ik begon opnieuw en opnieuw en opnieuw…
Niemand die ooit iets aan me zag. Alleszins niemand die me er ooit naar vroeg. De verandering in mijn gedrag, het verliezen van kilo´s … ik vat het nog niet.

Met kwetsbaarheid omgaan vergt moed, wilskracht en doorzettingsvermogen. Met kwetsbaarheid omgaan vergt vertrouwen en een stevig netwerk om je op spoor te houden. Niet alle kwetsbare mensen beschikken daarover. Velen trachten  in hun eentje het hoofd boven water te houden, schermen zich af en komen in een isolement terecht. Er is geen ruimte om hun talenten te ontdekken, laat staan in te zetten.
Langs de andere kant beschikken ook niet alle zogenaamd sterke mensen over wilskracht of veerkracht. Of willen zelfs maar kijken naar hun kwetsbaarheid of die van anderen. Je hoeft niet te kijken als de omgeving waarin je je begeeft kabbelt. Maar wat doe je in tijden van verandering en onzekerheid?

Misschien wordt het tijd om de mosterd te halen waar hij zit.