Diagnose: acute communicatiestoornis

Hoe doe je dat, duidelijk en empathisch communiceren dat je inderdaad allebei hetzelfde doel voor ogen hebt… Ik hoor u fronsen…

Anders geformuleerd, hoe maak je aan iemand die je wil helpen duidelijk dat het op één of andere manier niet ‘klikt’, dat de communicatie je erg onrustig maakt. En hoe doe je dat in een context waar jij erg afhankelijk bent, psychiatrisch patiënt in gedwongen opname bijvoorbeeld, en ‘hij/zij’ de behandelend arts die de sleutel tot jouw gezondheid en vrijheid bij zich draagt. Ik slik even voor ik verder schrijf… Blog je zoiets??

Mijn beschouwing is nochtans zuiver. De medicatie die ik voorgeschoteld krijg zit volgens mij juist. Ik voel me aansterken. Mag dagelijks enkele uren de afdeling verlaten met vrienden. Word niet gedwongen afdelingsactiviteiten mee te doen omdat die inderdaad niet noodzakelijk voedend zijn op dat eigenste moment. En ondertussen krijg ik nu ook al de vrijheid zelf te bepalen of ik al dan niet slaapmedicatie inneem. Ik ben ze vannacht opnieuw rond één uur gaan halen toen het zandmannetje weer vergat dat hij zand in mijn ogen moest strooien en niet tussen mijn lakens.

Het was een afspraak, ze werkte. Er was duidelijkheid. En ik ben er dankbaar voor.

Mondjesmaat krijg ik de verantwoordelijkheid weer in handen en langzaamaan koop ik vrijheid met gedrag dat past binnen de context. Durf me zelfs zachtjesaan opnieuw afvragen wat ik nog wil betekenen in dit leven.

Maar elke keer als ik op consult moet in de afdeling stap ik gestresst het dokterskabinet weer uit. Niet ONT-laden, maar OP-gedraaid. Omdat ik niet ‘rustig samen de uitspraak van de vrederechter wil overlopen’ als ‘die formulering er toch niet zo toe doet’. Dat ik niet wil nagaan ‘waar die angst vandaan komt’ als ik zeg dat ze al weg is nadat ik heb opgemerkt en uitgesproken dat ze er was. En dat net dát oplucht. En dat ik beaam dat ik weet dat ons doel hetzelfde is, maar dat het verdomd moeilijk is daar focus op te houden als je je systeem langzaamaan zo voelt opladen dat je naar de isolatiekamer verlangt om eens goed te brullen, tieren en slaan…
Hoewel je ‘woede’ als emotie nooit hebt gekend. En het wellicht net daarom gebeurt…

Ik ben niet de enige op de afdeling die zich niet helemaal ‘gehoord’ voelt. Laat ons de ‘communicatiestoornis’ zo maar noemen. Zou dit overigens ook in de DSM V bijbel staan?

Vreemd toch hoe een medepatiënte enkele dagen geleden haar hoofd op mijn rechterschouder legde, haar armen rond mijn onderarm haakte en zei ‘ik word zo rustig van jou’ nadat ze de dag ervoor had gevraagd ‘wat doe jij hier, jij bent toch geen patiënt?’
Vanmiddag vroeg een patiënt die net op de afdeling arriveerde me waarom ik hier zat. ‘Waarschijnlijk ook voor agressie?’ sprak hij grijnzend. Een vriend van me die ik deze anekdote sms´te reageerde met ‘dat is met al die tattoos op je armen, dat geeft een fout beeld’. Was lachen!
Ja, naar het schijnt straal ik dus rust uit…

Maar dat ik de ziel uit mijn lijf dans op de zes vrije tegels in mijn slaapkamer om de lading van het doktersconsult weg te leiden. Met de deur toe uiteraard…want was het niet omdat ik ‘vreemd’ aan het dansen was in de tuin thuis dat er aan de noodrem werd getrokken. En dat Christie, begeleidster van de Authentic Movement die me dans als therapie deed ontdekken graag op bezoek wil komen. Dat zwijg ik ook maar stil.
Neen, ik wijs niemand met de vinger. Geen gedrag is vreemd, als je de context mee in rekening neemt.

Een tijd geleden sprak ik een prof van de KULeuven aan met de boodschap ‘ik wil gastcolleges geven aan psychiaters in opleiding. Over communicatie, empathie en verbinding.’
En zie mij hier nu zitten. Bij elk woord aarzelend of het wel het juiste is. Hoe ik in godsnaam de dialoog met mijn behandelend arts hier op een rustiger manier kan tegemoet treden nadat ik dit hier online zet. Ik zou zeggen, hou ze nog maar effe vast daar…

 

Raar he…Toch wel.

‘Raar he…Je denkt nooit dat het jou zou overkomen…Je zal er sterker uitkomen’

Dat stuurde hij als antwoord op mijn sms ‘Verdict gekregen. Gedwongen opname tot 5 juli (…) Nu lig ik in de zon op een bankje. Even bevatten. Alice in Wonderland…’

‘Hij’ is een ex-collega met wie ik contact hield toen ik ervoor koos mijn loopbaan een andere wending te geven enkele jaren geleden. ‘Hij’ was de enige die ik toen vroeg of hij het ok zou vinden om contact te houden. Niet dat ik hem goed kende of vaak zag toen. Maar de samenwerking was wel heel fijn geweest. Heel professioneel, to the point verslaggeving en duidelijke toelichting waar ik erom vroeg. Contact houden met hem was een keuze die uit mijn hart kwam. En hij vond het een goed idee. En nu ‘is’ hij er op de manier die ik hierboven beschreef. En verdomd, dat voelt fijn.

Bij deze is het dus weekend, tik ik hier op mijn laptop in mijn kamertje in het psychiatrisch ziekenhuis in Kortenberg een blogbericht en komen straks voor het eerst mijn kinderen op bezoek. Dinsdag beginnen hun examens. Ik hoop dat ze zich zullen kunnen concentreren met de wetenschap dat mama in goede handen is. Met de wetenschap dat ze op elk moment mogen bellen, om even hun frustratie te uiten over examenvragen die te moeilijk waren, een traan te laten als het niet helemaal verloopt zoals ze hadden gehoopt en/of te zeggen of verzwijgen dat ze me missen. Zoals ik hen.

Ik ben nu een tiental dagen opgenomen. De regeling van de gedwongen opname schrijft voor dat ik tenminste tot 5 juli in een gesloten afdeling blijf. Naargelang hoe ik me gedraag zal ik wellicht wat vrijheid krijgen, met mondjesmaat. Even buiten de afdeling, een luchtje scheppen. Als morgen een bevriend koppel me bezoekt zal ik wellicht een terrasje doen maar die Maneblusser zal ik dan maar even uitstellen. Niet alles is overal mogelijk. En ook de maan hoeft niet altijd geblust te worden.

Daarstraks heb ik even enkele dagen teruggespoeld in de tijd om te zien wat ik online de wereld heb ingestuurd. Pijnlijke ontdekkingen weer. Waar ik schaamrood zou van kunnen krijgen. Maar ik besluit dat niet te doen. Geen pogingen meer om de berichten weg te halen. Ja, ziehier komt het verdriet weer opzetten. Stoor u niet aan de tranen die rollen bij het verder schrijven aan deze blog. Ze zijn van mij en voegen inhoudelijk geen waarde toe aan deze woorden.

Ik leef. Wist u dat al?

‘Ik leef omdat ik kinderen heb.’

Dat was wat ik ooit tegen mijn vorige psychiater zei tijdens een consult. En hij schreef het op. En ik vroeg waarom hij dat opschreef. En hij keek me indringend aan en antwoordde ‘Omdat ik dat een belangrijke uitspraak vind.’

Soms ben ik moe. Soms denk ik dat de wereld beter af zou zijn zonder me. Dat zelfs mijn kinderen beter af zouden zijn zonder mij.  Maar dan krijg ik plots weer een klein bericht van iemand, kijk ik door het raam naar de zon die op het grasveld schijnt en denk ik….’Neen, ga niet weg. Vlucht niet. Je bent de moeite waard. Hou je vast, aan wat dan ook.’

En soms waan ik me dan een klein pluisje dat voorbij dwarrelt en dat ik zelf tracht te grijpen. En voel ik me als Alice in Wonderland.

Nieuwsgierig. Maar ook een beetje kwetsbaar. Toch wel.

De zwarte zon

Toen de leerkracht voor het eerst de woorden analoog en digitaal uitsprak, schrok ik op.

Ana Loog!…en ze was nochtans de beste van de klas. Ik vond haar ook de mooiste. Sommigen vonden dat ze streken had…maar ik vond haar leuk. En ik keek naar haar, met haar glanzend zwarte haren, prachtige krullen en licht getinte huid. Neen, ik geloofde niet dat Ana loog. Maar de meester scheef de twee woorden op het bord en ik zag dat ik het verkeerd begrepen had. Het ging helemaal niet over Ana. De meester schreef ‘analoog’. Hij zei ook nog dat analoog zoals een riviertje is, het kronkelt van hier naar daar. Digi-taal heeft twee betekenissen. Het is zoals iets zeggen of zwijgen.

Toen we na de turnles in ons knutselhoekje zaten mochten we een tekening maken. Ana zat naast me en ik was weer wat in de war omdat ze zo vlak naast me zat. Maar ik wilde dat niet laten merken dus deed ik alsof ik heel geconcentreerd was. Ik nam een beetje verstrooid wat kleurtjes en voelde mijn hand over het papier gaan terwijl ik vanuit mijn ooghoeken nog naar Ana gluurde. Ik voelde ook dat ik een beetje rode wangen kreeg. Toen Ana plots naar me keek, keek ik vlug naar mijn blad.

‘Oei’, dacht ik. Ik zag dat ik een groene streep getrokken had van boven naar beneden. In het midden van het blad. Daarnaast had ik een gele rivier getekend en helemaal boven in het hoekje een zwarte zon. Met stralen helemaal recht van daar tot voorbij de rivier en nog verder. Ik had zelfs op tafel getekend.

Ik keek stiekem naar het blad van Ana. Ze kon heel mooi tekenen. Er stond een boom in het midden van haar blad, met prachtige kronkelende takken naar alle kanten en vol met groene blaadjes. Ik begreep niet dat ze zo snel zo´n mooie tekening kon maken. Ik keek opnieuw op mijn blad.

‘Jij kan mooi tekenen’ zei ik. Ze lachte naar me en keek op mijn blad. ‘Kom’ zei ze, en ze gaf me een hand en trok me mee naar de leeshoek. Juf Wendy was al binnengekomen. Ik was blij dat het voorleesuurtje begon.

En ook dat Ana niets gezegd had over mijn zwarte zon. Ik vind haar lief. En zij mij ook denk ik.

Neen, ik heb geen tijd

Het is een eindje stappen van het centraal station naar de Costa op het St. Andriesplein maar ik deed het met een ontspannen tred en mijn ogen in detectiemode. Ter hoogte van een pleintje waar ik toekwam vanuit een straatje waarin ik rechts was afgeslagen op die baan met de tramsporen, – even geduld- met vóór en een beetje achteraan rechts van me een schoenwinkel, in het midden bankjes en een terrasje, en rechts een viswinkel, zag ik een nogal schichtige man een vrouw benaderen die met gekruiste benen op een bankje een sigaret zat te roken. Hij verwijderde zich even snel als hij haar benaderd had en ik voelde hem mijn richting uit komen.

‘Mevrouw, mag ik even iets vragen?’

Ik stopte en keek hem aan. ‘Ja, zeg maar.’

Ik zag zijn schouders drie millimeter zakken in opluchting en zijn blik anderhalve centimeter naar boven gaan om moed te verzamelen voor zijn volgende vraag. Hij tastte met zijn linkerhand in zijn broekzak en haalde er een klein boekje uit. Het was open geplooid op de pagina waar onderaan ‘De Biekorf’ stond met adres en daaronder een paar regeltjes. Ik scande snel ‘2,5 euro’. Hij lichtte me toe dat hij dakloos was en dat hij in dit opvangtehuis kon overnachten en twee keer per dag iets kon eten voor twee en een halve euro. Het zou, nu ik erover denk, ook drie keer per dag kunnen geweest zijn. Maar hij zag er niet uit alsof hij veel at, dus vroeg ik niet door of het eten voldoende was.

Of ik misschien…de rest sprak hij niet uit, maar zijn ogen die ergens tussen hoop en angst bleven hangen vertelden het wel. Ik monsterde even zijn gezicht en zei ‘goed’. Ik nam mijn portefeuille uit mijn handtas. In het ritsvakje met het kleine geld zat maar 15 cent. En het ‘ah ja, ik moet nog een nieuw gaan halen’ zwartgeblakerd halogeen spotje. In het volgende vakje vond ik een briefje van twintig en eentje van tien en dacht, oei, … tien is misschien toch wel wat veel. En je kan uiteraard aan een dakloze niet vragen ‘kan je misschien wisselen?’. Maar toch even mijn vinger poken en intussen alternatieve denksporen bewandelen maar ziedaar, een verlossend briefje van vijf. ‘Hier’, sprak ik. ‘Ik geef je twee nachten.’ Ik zag hem even naar adem happen. ‘O-o-oh…mevrouw…’. Zonder vragen pakte hij mijn rechterschouder en ik draaide mijn wang voor zijn dankbare zoen. Ik voelde het zelfs niet, dat zijn bovengebit tandloos was. Maar had wel de trillende kin en de vochtige glans in zijn ogen opgemerkt.

We liepen even op en hij viel meteen met de deur in het huis van zijn frustratie. Dat hij eerst bij die rokende mevrouw was gegaan ‘en gewoon vriendelijk had gevraagd …’ en dat ze zelfs niet had gekeken toen ze zei ‘neen, ik heb geen tijd’. En dat hij daar zo onderarmen gespannen trillend om opwaarts bewegend, vuisten gebald en grmblgrmbl-knarsetandend-mompelend van wordt ‘EN DAN ZOU IK ZOHHH!!…en toen hij aan mijn knikken zag dat ik dat kon begrijpen sprak hij stil ‘maar ja, dat helpt niet.’

‘Wat doe jij overdag?’ vroeg ik. Hij reageerde snel. ‘Ja wat kan ik doen?’ Beetje verwijtend toch, had ik de indruk…

‘Weet je’, zei ik, ‘ik ben op weg naar Costa, dat is een cultuurhuis op de St. Andriesplaats en ik heb gezien dat daar een computer staat. Volgens mij kan je daar gratis op werken. Kan jij op de computer werken? Hij knikte. ‘´t Is misschien een idee om eens naar daar te gaan zodat je eens iets anders kan doen dan wat je altijd doet.’ Hij reageerde niet echt.

Even verder voelde ik toch nog een vraag kriebelen. ‘Mag ik nog iets vragen?’

‘Je gaat met dat geld toch geen alcohol of zo kopen, want ik weet een man in Mechelen en die vraagt ook altijd geld maar ik zie hem dan blikjes bier kopen in de supermarkt. Aan hem geef ik niet. Dus zou ik het ook niet fijn vinden mocht jij het daaraan besteden.’

‘Neen mevrouw, daar mag je me op vertrouwen. Het is om te kunnen slapen en eten in het opvangtehuis.’

En ineens liep hij mompelend voor me uit ‘ik moet’ en sjeesde een straat in, stak over en…verdween uit mijn zicht.

’Mmmh’ dacht ik. Het leek me niet echt waarschijnlijk dat in die omgeving een opvangtehuis ligt, maar het was ook nog geen tijd voor lunch dus waarom zou hij daarheen gaan. Zou daar een alcoholshop liggen? Hoeveel kost drugs eigenlijk? Ik besloot het los te laten.

Nu zit ik wel nog te denken of ik nu echt niet heb gekeken hoe dat pleintje noemde, waar die vrouw zat te roken. Ach ja, als ik het al had gelezen, ik vergeet het toch. Loslaten!

Slotsom: rood + groen = 5

schoolWellicht vraagt u zich op deze moeder der moederdagen af waarom ik rood en groen vernoem in mijn titel en niet de kleuren van de andere partijen. En denkt u wellicht dat ik met zo´n blogtitel wel voor een progressieve partij zal stemmen. Maar dat is een voorbarige conclusie van u. Want misschien gaat deze tekst helemaal niet over voorkeuren. Misschien gaat deze tekst over wiskunde. En over verwarring.

Wiskunde geeft verwarring. Zo dacht Jan V. er over. Hij zat een veertigtal jaren geleden in het eerste studiejaar en kreeg een doos met houten blokjes. Blokjes om mee te leren tellen. Het kleinste blokje was wit, ongeveer één kubieke centimeter groot en stelde het cijfer één voor. Het cijfer twee werd voorgesteld door een rood balkje van twee kubieke centimeter een balkje drie was groen. Er waren tien soorten blokjes. En daarmee kon je puzzelen en uitzoeken wat je allemaal kon samenleggen om aan tien te komen. Want tien dat is het beste resultaat in de lagere school. En natuurlijk moet je streven naar dat resultaat. Daarover discussiëren we niet.

Maar het moment dat de meester zei ‘rood + groen is vijf’ was kleine Jan in de war. ‘Hoe kan je nu kleuren optellen en een cijfer uitkomen’ vroeg hij zich af. Hij boog zijn hoofd over zijn blokkendoos en bestudeerde het probleem. Hij kwam er niet uit en was de rest van de dag mentaal afwezig. Jantje was nochtans niet dom. Jantje kreeg later zelfs zoveel inzicht in de wondere wereld van de wiskunde, dat hij toen hij grote Jan werd als ingenieur afstudeerde aan de universiteit. Het was daar dat ik hem leerde kennen. Als de man met de grappige verhalen wel te verstaan. Over het boekweitbrood van zijn moeder, over de lotgevallen van baseballspelers en over het trauma dat deze bewuste optelsom hem bezorgd had. Over de verwarring, die hem dus tot op de dag dat zijn verhaal mijn herinnering inkroop, had beziggehouden. Toen ik hem een tijdje geleden mailde over de grote oceaan, spraken we af dat als ik ooit een boek zou schrijven, dat dat mijn titel zou zijn: ‘rood + groen=5’. Maar omdat grote woorden vaak kleine daden worden, werd het dus de titel van deze blog. En dan zelfs nog niet helemaal. Ach, afspraken…maar ik onderstel dat hij het me niet kwalijk zal nemen.

Deze week kreeg ik een vragenlijst vanwege het ministerie van onderwijs. Een vragenlijst die moest ingevuld worden door de ouders van leerlingen van het laatste jaar humaniora. Onze mening werd gevraagd over het nut van wiskunde. Ook wat we zelf hadden gestudeerd werd bevraagd en of we thuis met wiskunde en wetenschap bezig zijn. Omdat er misschien een link bestaat tussen de waarde die aan wiskunde wordt gehecht op het thuisfront en de wiskunderesultaten op school. Dat het, wie weet, misschien te voorspellen is wie een tien zal halen. Zelfs zonder de punten op te tellen. Als dat niet waardevol is.

Ik ben me er heel goed van bewust dat ik in mijn eerste paragraaf zelf voorbarige conclusies heb getrokken. Door te suggereren dat ik weet waaraan u denkt. Uiteraard weet ik dat niet. Zo goed kan ik me ook weer niet inleven.

Ik kan me wel inleven  in elke kleine Jan. Die wil Tellen maar verWard is.
Of Lin die wil MeeTellen maar niet zoals Ward is.
Of Marie die zelf ook wil verTellen maar niet Mee is.

En dan wou ik nog zo´n leuke oneliner formuleren om deze blog af te ronden, maar merk ik dat het een eyeliner is geworden. Een zwarte. Het zei zo.

De psyche van de LinkedIn-gluurder

Ik weet niet of u dat ook doet. U afvragen wie die anonieme LinkedIn-leden zijn die uw LinkedIn profiel bezoeken. Toegegeven, bij de opmaak van mijn eigen profiel heb ik ook getwijfeld. Wil ik wel dat de ander ziet dat ik even kom kijken wat er achter die foto en die headline schuilgaat? Wil ik wel sporen achterlaten? Maar de eerlijkheid en openheid wonnen het van de angst.

Wat me dan brengt bij de vraag wat zich in het hoofd afspeelt van de mensen die beslissen zich schuil te houden. Trouwens, die halve anonimiteit van wel de organisatie te zien of de jobtitel maar niet de naam of foto, dat vind ik zever. Ik weet niet of het nog zo is, maar vroeger kon je dan doorklikken en zag je een hele lijst van mogelijke bezoekers. Niet zelden zat er wel eentje tussen die ik kende. Yep, gotcha!

Het is me wel al overkomen dat een Bekende Vlaming langskwam. Met foto en al. Van de anonymi weet ik uiteraard niet of het Bekende Vlamingen zijn. Dan denk ik oei, die is de weg kwijt. Een enkele keer reageer ik dan enthousiast dat ik het leuk vond om zo´n hoog bezoek te krijgen en dat ik wel graag zou linken. Klinkt cool onder vrienden, een BV onder je contacten. Maar daar zitten echt wel slimme mensen bij. Die dan zeggen ‘ik link alleen met mensen die ik persoonlijk heb ontmoet en over wie ik iets positiefs kan zeggen.’ Daar sta ik dan met mijn mond vol asbak. ‘Maar waarom kwam je dan kijken op mijn profiel?’ wil ik dan nog uitbrengen en ‘ik heb deze week ‘echt waar’ eens niet elke avond een groot pak chips leeggegeten’… maar de woorden blijven door de emotie stokken in mijn keel. Er rest me dan niets dan me opnieuw met een dekentje in de zetel van mijn onbekende bestaan te nestelen.

Het is me overigens ook al overkomen dat een Bekende Vlaming me belde op mijn GSM. En afsloot met de woorden ‘nu heb je mijn GSM-nummer, als ik je nog ergens mee kan helpen dan bel je maar’. Maar dit geheel terzijde.

Volgens mij zijn mensen die hun gezicht verbergen als ze anderen bezoeken ziek in hun hoofd. Hebben ze iets op hun kerfstok. Of zijn het inspecteurs. Of psychiaters. Overigens wekt het minder wantrouwen om een fake profiel op te stellen, een portretfoto te nemen van een willekeurige marktbezoeker met de smoes dat je een fotografie-opleiding volgt en vervolgens je fantasie de vrije loop te laten bij het opstellen van een profiel.

Zo heb ik het ook gedaan. Maar ik ben dan ook ziek in mijn hoofd. En als al die werkgevers die ik heb opgelijst beweren dat ik wél bij hen heb gewerkt, weet dan dat ze liegen. En ik ben ook helemaal niet kwetsbaar. Ik schrijf zelfs geen blogs. Deze tekst is slechts een neerslag van de woordenwolk die gegenereerd werd bij het samenvoegen van alle berichten die mijn contacten hebben gepost.

Mijn dank gaat dus uit naar hen.

Te vertrouwen, hoezo?

Ze kwam met forse tred naast me lopen op de Antwerpse Meir. Dat ze verwonderd was dat die man haar toch een nieuw toestelletje had gegeven. Ze had het pas gekocht en het kostte wel niet veel maar het was stuk. Dat mocht toch niet. Maar hij was vriendelijk geweest en ze had een nieuw gekregen.

Dat de mensen van nu niet meer te vertrouwen zijn.

Ik kon het niet laten haar er toch even op te wijzen dat ze wel naast mij kwam lopen en haar verhaal deed, hoewel ze me niet kende.

‘Maar jij bent te vertrouwen.’ zei ze. ‘Dat zie ik zo. Maar andere mensen…’

Interessante denkpiste. Ik moest moeite doen haar bij te houden. Ze schreed voort met haar hoofd naar beneden, vertelde aan één stuk door en keek me slechts even aan als ik duidelijk tot haar verbazing een vraag stelde. Volgens mij was ze steeds onderweg om zich te ergeren aan het volgende onrecht.

Ze wees me op de jas die ze aanhad. Die had ze in de kringloopwinkel gekocht en thuis had ze ontdekt dat hij vuil was. ‘Wie doet dat nu, een vuile jas afleveren?’ Zij had er wél voor moeten betalen!

Ik vroeg me af of ze helemaal tot aan het station zou meelopen. Of ik haar met een smoes zou ‘loslaten’. Maar ik besloot haar ruimte te geven om haar verhaal te doen. En ze ratelde maar door. Dat er in het appartement waar ze woonde al twee fietsen van haar gestolen waren, waaronder die van haar kleindochter. ‘Kunt ge u dat nu voorstellen?’ Dat ze er nu geen meer kocht. En dat het slot van haar voordeur stuk was en de huisbaas het niet herstelde. ‘Oh manneke, ge komt wat tegen in Antwerpen.’ Ze nam afscheid en stoof met forse tred de winkelgalerij vlakbij het centraal station in. Duidelijk zeer doelbewust op weg naar, ach…

Bij mij bleef ze plakken. Op de trein naar huis. En tot nu, omdat zij één van die mensen is die mijn leven kleur geeft. Die mij de wereld in vraag doet stellen.

Wat maakt dat je mensen vertrouwt? Wat maakt dat mensen je de rug toekeren?

Hier zag ik een vrouw die duidelijk haar verhaal wilde doen. Die misschien weinig mensen in haar omgeving heeft die luisteren. Misschien ratelt ze zoveel dat mensen uit haar directe omgeving haar uit zelfbehoud de rug toekeren. Of misschien is het niet omdat ze veel ratelt, maar omdat het zelden positieve boodschappen zijn. Ik denk trouwens dat het lichtpuntje dat ze wel een nieuw toestel had gekregen al verdwenen was in de duisternis van haar andere ervaringen. Of zou ze toch bij haar koffie even denken ‘amai, dat was wel een vriendelijke madam daar, toen.’ Of zou ze over me vertellen als haar kleindochter op bezoek komt? Of er een stukje over schrijven in het dagboek dat ze verstopt tussen de miskopen van de kringloopwinkel? Zolang niemand het maar leest.

Gedachtensprongen. Niet te vertrouwen.

 

 

Vallen en opstaan: uk en zijn puck

Ik schat hem vier jaar. Aan de hand van zijn vader wordt hij het ijs op geleid. Volledig in zwart-witte uitrusting: helm, scheenbeschermers, bodybeschermer…zijn stick zwiept in zijn linkerhand vervaarlijk boven het ijs. Wanneer hij een tiental kleine wankele pasjes heeft gezet, valt hij achterover. Hij draait zich om en duwt zich op zijn knieën. Met zijn linkerhand steunend op de stick op het ijs steekt hij zijn rechterhand en hoofd de lucht in. De coach komt toegesneld, geeft hem een hand en de jongen krabbelt recht. Coach wacht even tot de telg goed en wel  rechtstaat en schaatst dan naar de zijkant van de baan om de doelen te plaatsen.

Ze staan met een vijftiental ijshockeyers op de schaatsbaan. De oudste jongen schat ik zestien. Een erg virtuoos kind van een jaar of acht blijkt een meisje te zijn. Onvervaard. Net als onze kleinste telg, die intussen alweer gevallen is. Zo gaat het een tiental keer het eerste kwartier. Soms is het de coach die toesnelt, soms één van de andere spelers. Af en toe zet coach zich zelf op zijn knieën en toont hoe je recht kan komen door op de stick te steunen. Maar als het een paar bungelende pirouettes en een hangend hoofdje later nog niet lukt, besluit de coach hem toch weer recht te trekken.

Intussen is uk toch tot vlakbij het doel gesukkeld. Coach heeft ook een puck voor hem klaargelegd. De anderen spelers doen hun ding aan de andere kant van de ijsbaan. Ik verdeel mijn aandacht tussen mijn boek en het speelveld, waar mijn oog toch telkens weer blijft rusten op de kleine zwart-wit wroetende kledingmassa. Ik zie hem met de stick in zijn linkerhand naar de puck uithalen, maar meestal zwiept hij boven het ijs. Als hij al niet valt. Een ander spelertje toont hem hoe je de stick met twee handen moet vasthouden.

Op een bepaald moment klinkt er een luide kreet. Coach kijkt op, uk roept iets en beiden steken de duimen in de lucht. Als ik hem even later zie vallen en weer opstaan begrijp ik dat hij ‘het rechtkomen’ beet heeft. En een tiental minuten later klinkt er nog een kreet. En weer gaan de duimen in de lucht. De puck is immers in het doel beland. Dat er geen doelman stond is slechts  een detail.

Vallen en weer opstaan. En weer doorgaan en weten dat het niet de laatste keer zal zijn dat je valt. Mijn afgelopen week was afschuwelijk. Dus kwam er geen blog. Ging alle energie weer even naar overleven. Maar vanochtend heb ik me aan het schrijven gezet, niet het doelgericht schrijven maar het leegschrijven. En stilaan voelde ik de ‘levensenergie’ weer stromen. Dus zette ik me aan de beloofde tekst voor een schoolopdracht van mijn oudste dochter, waarin ik als moeder moest argumenteren waarom geneeskunde de juiste studiekeuze voor haar is. En vond ik plezier in het verwoorden van haar droom. En toen dacht ik aan uk en zijn puck. En waar het om draait. Gaan voor je droom, met vallen en opstaan.

Wat doe je met kwetsbaarheid?

Hoe graag wou ik iets in de wereld zetten waar mensen echt iets aan hebben. Met de inzichten die ik heb opgebouwd in die zeventien jaar dat ik een chronische ziekte hanteer. Met de ervaringen en visie die ik ontwikkelde bij de vele sollicitaties, de omgang met collega´s en mijn vrijwilligerswerk.

Dus volgde ik workshops businessplanning. De ene gaf al meer ‘goesting’ dan de andere. Ging ik met een organisatie praten die sociale ondernemers financiert met risicokapitaal. Mijn missie en visie, kort door de bocht ‘kwetsbaarheid op de kaart zetten’, werden daar met open armen onthaald, maar ik kreeg het advies mijn aanbod uit te werken en ‘vermarktbaar’ te maken. Een vriend raadde me aan om een boek te schrijven, omdat dat mijn credibiliteit zou vergroten. Ik startte daarop een blog, een ‘haalbaarder’ alternatief. Ik zocht mensen op die ik al op mijn pad was tegengekomen en die me aanknopingspunten gaven. Ik belde rond, deed mijn verhaal en er was interesse…om mijn inzichten te komen delen, om geïnterviewd te worden…maar betalen voor wat ik te bieden heb, neen, dat vooralsnog niet.

Twee dagen geleden stapte ik, of beter fietste ik, naar de adviserend geneesheer van de mutualiteit voor een adviesgesprek. Om te horen of het kon om langzaam iets op te bouwen als zelfstandige met een bijpassing van mijn uitkering omdat voltijds werken vooralsnog niet haalbaar is gezien mijn gezondheidstoestand. Het was een arts die ik nooit eerder zag. En ze raadde me af als zelfstandige te starten. In mijn situatie is het risico te groot. Bovendien is die combinatiemogelijkheid beperkt in de tijd, toch wanneer je voor je werkonbekwaamheid nog geen zelfstandige was. Het was een open en eerlijk gesprek, ze gaf enkele voorbeelden en ik kon niet anders dan haar logica volgen. Overigens had ik de zelf gemaakte afspraak bijna afgebeld, omdat ik een week ervoor terug gekatapulteerd was naar een gezondheidstoestand waarmee ik vijftien jaar geleden in allerijl in het ziekenhuis belandde. Wellicht een neveneffect van het stopzetten van een medicijn, overigens wel op advies van mijn specialist. Hoewel het loeihard was zat er diep in mij het vertrouwen dat ik ook hier uit zou komen. Ik deed basale dingen waar ik trots op kon zijn. Ging wandelen. Deed de afwas. Ging met de grove borstel door wat kastruimten. Intussen heeft mijn systeem een nieuw evenwicht gevonden. Bij de adviserend geneesheer heb ik gehuild omwille van mijn situatie, ik verontschuldigde me, zei dat dat niet mijn bedoeling was, maar zij vond het niet erg. Intussen zijn we een week verder, ben ik het ergste dieptepunt al bijna vergeten en zette ik inmiddels op linkedin dat ik op zoek ben naar een halftijdse job in een adviserende functie. Met de toevoeging ‘kwetsbaarheid geeft meer-waarde’. Misschien nogal sullig maar het is nu eenmaal waar ik in geloof.

Ik wil nog steeds in de wereld zetten wat ik belangrijk vind. Ik zie in mijn omgeving dat er ook nood aan is. Maar ik kan het dus niet alleen en heb een structuur nodig van waaruit ik mijn ding kan doen. Ik heb mensen nodig die in mij geloven. Ik heb mensen nodig die me tonen dat ze mijn ideeën echt waardevol vinden.

Dat is waar ik sta. En nu ga ik de tuin opzoeken. Een beetje ‘aarden’.

Job interview: over plooifietsen en doodsangsten

Lonely girl

Er kwam dus een vervolg op het sollicitatiegesprek dat ik had bij de Vlaamse Overheid (link naar mijn vorige blog).

Ik was het niet geworden. Wist niet of ik opgelucht moest zijn of niet. Vragen als ‘wil je wel voor zo iemand werken?’ en ‘zou voltijds werken wel lukken?’ speelden nog een aantal dagen door mijn hoofd, wellicht om de teleurstelling een plaats te geven. Maar stilaan vervaagde de herinnering.

Tot ik een kleine twee maanden later telefoon kreeg. De functie stond opnieuw vacant en als ik nog vrij was en interesse had zou ik worden uitgenodigd voor een gesprek. Het zou geen nieuwe ‘echte’ sollicitatie zijn maar eerder een gesprek over mijn noden met betrekking tot de arbeidshandicap. Weer bewogen de oude gedachten door mijn hoofd…’wil ik wel voor die vrouw werken?’ maar ook ‘welke aanpassingen heb ik eigenlijk écht nodig op een werkplek?’

Ik werd uit de wachtruimte opgepikt door een andere personeelsverantwoordelijke dan vorige keer en hij bracht me naar een lokaaltje waar de coördinatrice zat naast een jonge man die haar nieuwe collega bleek te zijn. Een gesprek over noodzakelijke aanpassingen dus. ‘Waarom heb je precies voor deze job gekozen?’ vroeg de jonge man. Even flitste ‘noodzakelijke aanpassingen?’ door mijn hoofd maar ik hoorde me enthousiast vertellen wat me ertoe gebracht had mijn kandidatuur te stellen. ‘Zijn er zaken die voor jou extra belasting geven?’ Ik beaamde. Dat verre autoritten me erg veel energie kosten. Dat ik verplaatsingen liefst met het openbaar vervoer maak. Zelf heb ik geen wagen maar ik vermoedde dat ze wel over een pool beschikten voor dienstverplaatsingen. Korte afstanden vormen geen probleem.
Daar was weer dat schuine hoofd van de coördinatrice en het zoeken van oogcontact met de personeelsverantwoordelijke. Maar deze bleef mij aankijken en pikte erop in door te vragen hoe ik dat dan zag. De jonge collega opperde dat ik me misschien van het station naar de bestemming kon verplaatsen met zijn plooifiets. ‘Geen probleem’, zei ik. Ik had zelf al overwogen een plooifiets te kopen om mijn treinverplaatsingen minder tijdsintensief te maken. De coördinatrice viel in dat sommige bestemmingen in erg afgelegen buurten liggen en bovendien materiaal moest meegenomen worden want neen, niet overal hadden ze een beamer.

Plots helde ze naar me over en sprak ‘vorige keer heb je gezegd dat het belangrijk is voor jou dat de cultuur je ligt. Om heel eerlijk te zijn, ik sta doodsangsten uit bij zo´n uitspraak.’ Ik moest mijn wenkbrauwen bedwingen de hoogte in te gaan. Doodsangsten. Dat was een woord dat ik nooit eerder in een sollicitatiegesprek had horen vallen. Maar ik repliceerde dus net als vorige keer dat eenvoudig mee gaan lunchen me al veel duidelijk zou maken over de cultuur. ‘Wij lunchen zelden samen, meestal eten wij een broodje aan ons bureau’. ‘Een overleg meedoen dan?’ ‘Dat is moeilijk want wij zijn bijna nooit samen op kantoor.’
Het hele gesprek was ze in defensie gegaan. Ze wilde me niet en ik zou het geweten hebben.
Ik leunde achterover en voelde hoe hete tranen achter mijn ogen prikten. Ik raapte mezelf bij elkaar, leunde over de tafel en zette mijn rechterhand dwars op tafel, tussen ons in. ‘Hier stopt het voor mij. Dit werkt niet.’ En met mijn handen gebarend naar de twee andere personen, maar kijkend naar de coördinatrice, zei ik ‘dit werkt wel’. Maar dit dus niet’, waarbij ik tenslotte mijn rechterhand tussen haar en mij bewoog.
Ik stond op en nam mijn jas van de stoel. Ik zag haar vanuit mijn ooghoeken met een onzekere blik naar houvast zoeken bij de personeelsverantwoordelijke. De anderen stonden ook recht.
De jonge man wenste me nog veel succes. ‘Zij’ wenste me een goede thuiskomst.

De personeelsverantwoordelijke wandelde mee naar de lift en zei dat hij mijn beslissing bewonderde. Dat er meer kandidaten zouden moeten zijn die in een sollicitatieproces durven te handelen als ik. ‘Niet dat ze haar werk slecht doet, ik heb toch nog geen klachten over haar gehoord.’ Ik zweeg verder maar aan de lift draaide ik me om en stak hem een hand toe met de woorden ‘bedankt om me een kans te geven. Als u ooit een nieuwe coördinator zoekt stel ik me kandidaat.’ Hij keek me nog even na.
Wat een bluf.

Op de terugweg heb ik gehuild.
Maar ik ben goed thuisgekomen, zoals zij het me toegewenst had.