Te vertrouwen, hoezo?

Ze kwam met forse tred naast me lopen op de Antwerpse Meir. Dat ze verwonderd was dat die man haar toch een nieuw toestelletje had gegeven. Ze had het pas gekocht en het kostte wel niet veel maar het was stuk. Dat mocht toch niet. Maar hij was vriendelijk geweest en ze had een nieuw gekregen.

Dat de mensen van nu niet meer te vertrouwen zijn.

Ik kon het niet laten haar er toch even op te wijzen dat ze wel naast mij kwam lopen en haar verhaal deed, hoewel ze me niet kende.

‘Maar jij bent te vertrouwen.’ zei ze. ‘Dat zie ik zo. Maar andere mensen…’

Interessante denkpiste. Ik moest moeite doen haar bij te houden. Ze schreed voort met haar hoofd naar beneden, vertelde aan één stuk door en keek me slechts even aan als ik duidelijk tot haar verbazing een vraag stelde. Volgens mij was ze steeds onderweg om zich te ergeren aan het volgende onrecht.

Ze wees me op de jas die ze aanhad. Die had ze in de kringloopwinkel gekocht en thuis had ze ontdekt dat hij vuil was. ‘Wie doet dat nu, een vuile jas afleveren?’ Zij had er wél voor moeten betalen!

Ik vroeg me af of ze helemaal tot aan het station zou meelopen. Of ik haar met een smoes zou ‘loslaten’. Maar ik besloot haar ruimte te geven om haar verhaal te doen. En ze ratelde maar door. Dat er in het appartement waar ze woonde al twee fietsen van haar gestolen waren, waaronder die van haar kleindochter. ‘Kunt ge u dat nu voorstellen?’ Dat ze er nu geen meer kocht. En dat het slot van haar voordeur stuk was en de huisbaas het niet herstelde. ‘Oh manneke, ge komt wat tegen in Antwerpen.’ Ze nam afscheid en stoof met forse tred de winkelgalerij vlakbij het centraal station in. Duidelijk zeer doelbewust op weg naar, ach…

Bij mij bleef ze plakken. Op de trein naar huis. En tot nu, omdat zij één van die mensen is die mijn leven kleur geeft. Die mij de wereld in vraag doet stellen.

Wat maakt dat je mensen vertrouwt? Wat maakt dat mensen je de rug toekeren?

Hier zag ik een vrouw die duidelijk haar verhaal wilde doen. Die misschien weinig mensen in haar omgeving heeft die luisteren. Misschien ratelt ze zoveel dat mensen uit haar directe omgeving haar uit zelfbehoud de rug toekeren. Of misschien is het niet omdat ze veel ratelt, maar omdat het zelden positieve boodschappen zijn. Ik denk trouwens dat het lichtpuntje dat ze wel een nieuw toestel had gekregen al verdwenen was in de duisternis van haar andere ervaringen. Of zou ze toch bij haar koffie even denken ‘amai, dat was wel een vriendelijke madam daar, toen.’ Of zou ze over me vertellen als haar kleindochter op bezoek komt? Of er een stukje over schrijven in het dagboek dat ze verstopt tussen de miskopen van de kringloopwinkel? Zolang niemand het maar leest.

Gedachtensprongen. Niet te vertrouwen.

 

 

Vallen en opstaan: uk en zijn puck

Ik schat hem vier jaar. Aan de hand van zijn vader wordt hij het ijs op geleid. Volledig in zwart-witte uitrusting: helm, scheenbeschermers, bodybeschermer…zijn stick zwiept in zijn linkerhand vervaarlijk boven het ijs. Wanneer hij een tiental kleine wankele pasjes heeft gezet, valt hij achterover. Hij draait zich om en duwt zich op zijn knieën. Met zijn linkerhand steunend op de stick op het ijs steekt hij zijn rechterhand en hoofd de lucht in. De coach komt toegesneld, geeft hem een hand en de jongen krabbelt recht. Coach wacht even tot de telg goed en wel  rechtstaat en schaatst dan naar de zijkant van de baan om de doelen te plaatsen.

Ze staan met een vijftiental ijshockeyers op de schaatsbaan. De oudste jongen schat ik zestien. Een erg virtuoos kind van een jaar of acht blijkt een meisje te zijn. Onvervaard. Net als onze kleinste telg, die intussen alweer gevallen is. Zo gaat het een tiental keer het eerste kwartier. Soms is het de coach die toesnelt, soms één van de andere spelers. Af en toe zet coach zich zelf op zijn knieën en toont hoe je recht kan komen door op de stick te steunen. Maar als het een paar bungelende pirouettes en een hangend hoofdje later nog niet lukt, besluit de coach hem toch weer recht te trekken.

Intussen is uk toch tot vlakbij het doel gesukkeld. Coach heeft ook een puck voor hem klaargelegd. De anderen spelers doen hun ding aan de andere kant van de ijsbaan. Ik verdeel mijn aandacht tussen mijn boek en het speelveld, waar mijn oog toch telkens weer blijft rusten op de kleine zwart-wit wroetende kledingmassa. Ik zie hem met de stick in zijn linkerhand naar de puck uithalen, maar meestal zwiept hij boven het ijs. Als hij al niet valt. Een ander spelertje toont hem hoe je de stick met twee handen moet vasthouden.

Op een bepaald moment klinkt er een luide kreet. Coach kijkt op, uk roept iets en beiden steken de duimen in de lucht. Als ik hem even later zie vallen en weer opstaan begrijp ik dat hij ‘het rechtkomen’ beet heeft. En een tiental minuten later klinkt er nog een kreet. En weer gaan de duimen in de lucht. De puck is immers in het doel beland. Dat er geen doelman stond is slechts  een detail.

Vallen en weer opstaan. En weer doorgaan en weten dat het niet de laatste keer zal zijn dat je valt. Mijn afgelopen week was afschuwelijk. Dus kwam er geen blog. Ging alle energie weer even naar overleven. Maar vanochtend heb ik me aan het schrijven gezet, niet het doelgericht schrijven maar het leegschrijven. En stilaan voelde ik de ‘levensenergie’ weer stromen. Dus zette ik me aan de beloofde tekst voor een schoolopdracht van mijn oudste dochter, waarin ik als moeder moest argumenteren waarom geneeskunde de juiste studiekeuze voor haar is. En vond ik plezier in het verwoorden van haar droom. En toen dacht ik aan uk en zijn puck. En waar het om draait. Gaan voor je droom, met vallen en opstaan.

Wat doe je met kwetsbaarheid?

Hoe graag wou ik iets in de wereld zetten waar mensen echt iets aan hebben. Met de inzichten die ik heb opgebouwd in die zeventien jaar dat ik een chronische ziekte hanteer. Met de ervaringen en visie die ik ontwikkelde bij de vele sollicitaties, de omgang met collega´s en mijn vrijwilligerswerk.

Dus volgde ik workshops businessplanning. De ene gaf al meer ‘goesting’ dan de andere. Ging ik met een organisatie praten die sociale ondernemers financiert met risicokapitaal. Mijn missie en visie, kort door de bocht ‘kwetsbaarheid op de kaart zetten’, werden daar met open armen onthaald, maar ik kreeg het advies mijn aanbod uit te werken en ‘vermarktbaar’ te maken. Een vriend raadde me aan om een boek te schrijven, omdat dat mijn credibiliteit zou vergroten. Ik startte daarop een blog, een ‘haalbaarder’ alternatief. Ik zocht mensen op die ik al op mijn pad was tegengekomen en die me aanknopingspunten gaven. Ik belde rond, deed mijn verhaal en er was interesse…om mijn inzichten te komen delen, om geïnterviewd te worden…maar betalen voor wat ik te bieden heb, neen, dat vooralsnog niet.

Twee dagen geleden stapte ik, of beter fietste ik, naar de adviserend geneesheer van de mutualiteit voor een adviesgesprek. Om te horen of het kon om langzaam iets op te bouwen als zelfstandige met een bijpassing van mijn uitkering omdat voltijds werken vooralsnog niet haalbaar is gezien mijn gezondheidstoestand. Het was een arts die ik nooit eerder zag. En ze raadde me af als zelfstandige te starten. In mijn situatie is het risico te groot. Bovendien is die combinatiemogelijkheid beperkt in de tijd, toch wanneer je voor je werkonbekwaamheid nog geen zelfstandige was. Het was een open en eerlijk gesprek, ze gaf enkele voorbeelden en ik kon niet anders dan haar logica volgen. Overigens had ik de zelf gemaakte afspraak bijna afgebeld, omdat ik een week ervoor terug gekatapulteerd was naar een gezondheidstoestand waarmee ik vijftien jaar geleden in allerijl in het ziekenhuis belandde. Wellicht een neveneffect van het stopzetten van een medicijn, overigens wel op advies van mijn specialist. Hoewel het loeihard was zat er diep in mij het vertrouwen dat ik ook hier uit zou komen. Ik deed basale dingen waar ik trots op kon zijn. Ging wandelen. Deed de afwas. Ging met de grove borstel door wat kastruimten. Intussen heeft mijn systeem een nieuw evenwicht gevonden. Bij de adviserend geneesheer heb ik gehuild omwille van mijn situatie, ik verontschuldigde me, zei dat dat niet mijn bedoeling was, maar zij vond het niet erg. Intussen zijn we een week verder, ben ik het ergste dieptepunt al bijna vergeten en zette ik inmiddels op linkedin dat ik op zoek ben naar een halftijdse job in een adviserende functie. Met de toevoeging ‘kwetsbaarheid geeft meer-waarde’. Misschien nogal sullig maar het is nu eenmaal waar ik in geloof.

Ik wil nog steeds in de wereld zetten wat ik belangrijk vind. Ik zie in mijn omgeving dat er ook nood aan is. Maar ik kan het dus niet alleen en heb een structuur nodig van waaruit ik mijn ding kan doen. Ik heb mensen nodig die in mij geloven. Ik heb mensen nodig die me tonen dat ze mijn ideeën echt waardevol vinden.

Dat is waar ik sta. En nu ga ik de tuin opzoeken. Een beetje ‘aarden’.

Job interview: over plooifietsen en doodsangsten

Lonely girl

Er kwam dus een vervolg op het sollicitatiegesprek dat ik had bij de Vlaamse Overheid (link naar mijn vorige blog).

Ik was het niet geworden. Wist niet of ik opgelucht moest zijn of niet. Vragen als ‘wil je wel voor zo iemand werken?’ en ‘zou voltijds werken wel lukken?’ speelden nog een aantal dagen door mijn hoofd, wellicht om de teleurstelling een plaats te geven. Maar stilaan vervaagde de herinnering.

Tot ik een kleine twee maanden later telefoon kreeg. De functie stond opnieuw vacant en als ik nog vrij was en interesse had zou ik worden uitgenodigd voor een gesprek. Het zou geen nieuwe ‘echte’ sollicitatie zijn maar eerder een gesprek over mijn noden met betrekking tot de arbeidshandicap. Weer bewogen de oude gedachten door mijn hoofd…’wil ik wel voor die vrouw werken?’ maar ook ‘welke aanpassingen heb ik eigenlijk écht nodig op een werkplek?’

Ik werd uit de wachtruimte opgepikt door een andere personeelsverantwoordelijke dan vorige keer en hij bracht me naar een lokaaltje waar de coördinatrice zat naast een jonge man die haar nieuwe collega bleek te zijn. Een gesprek over noodzakelijke aanpassingen dus. ‘Waarom heb je precies voor deze job gekozen?’ vroeg de jonge man. Even flitste ‘noodzakelijke aanpassingen?’ door mijn hoofd maar ik hoorde me enthousiast vertellen wat me ertoe gebracht had mijn kandidatuur te stellen. ‘Zijn er zaken die voor jou extra belasting geven?’ Ik beaamde. Dat verre autoritten me erg veel energie kosten. Dat ik verplaatsingen liefst met het openbaar vervoer maak. Zelf heb ik geen wagen maar ik vermoedde dat ze wel over een pool beschikten voor dienstverplaatsingen. Korte afstanden vormen geen probleem.
Daar was weer dat schuine hoofd van de coördinatrice en het zoeken van oogcontact met de personeelsverantwoordelijke. Maar deze bleef mij aankijken en pikte erop in door te vragen hoe ik dat dan zag. De jonge collega opperde dat ik me misschien van het station naar de bestemming kon verplaatsen met zijn plooifiets. ‘Geen probleem’, zei ik. Ik had zelf al overwogen een plooifiets te kopen om mijn treinverplaatsingen minder tijdsintensief te maken. De coördinatrice viel in dat sommige bestemmingen in erg afgelegen buurten liggen en bovendien materiaal moest meegenomen worden want neen, niet overal hadden ze een beamer.

Plots helde ze naar me over en sprak ‘vorige keer heb je gezegd dat het belangrijk is voor jou dat de cultuur je ligt. Om heel eerlijk te zijn, ik sta doodsangsten uit bij zo´n uitspraak.’ Ik moest mijn wenkbrauwen bedwingen de hoogte in te gaan. Doodsangsten. Dat was een woord dat ik nooit eerder in een sollicitatiegesprek had horen vallen. Maar ik repliceerde dus net als vorige keer dat eenvoudig mee gaan lunchen me al veel duidelijk zou maken over de cultuur. ‘Wij lunchen zelden samen, meestal eten wij een broodje aan ons bureau’. ‘Een overleg meedoen dan?’ ‘Dat is moeilijk want wij zijn bijna nooit samen op kantoor.’
Het hele gesprek was ze in defensie gegaan. Ze wilde me niet en ik zou het geweten hebben.
Ik leunde achterover en voelde hoe hete tranen achter mijn ogen prikten. Ik raapte mezelf bij elkaar, leunde over de tafel en zette mijn rechterhand dwars op tafel, tussen ons in. ‘Hier stopt het voor mij. Dit werkt niet.’ En met mijn handen gebarend naar de twee andere personen, maar kijkend naar de coördinatrice, zei ik ‘dit werkt wel’. Maar dit dus niet’, waarbij ik tenslotte mijn rechterhand tussen haar en mij bewoog.
Ik stond op en nam mijn jas van de stoel. Ik zag haar vanuit mijn ooghoeken met een onzekere blik naar houvast zoeken bij de personeelsverantwoordelijke. De anderen stonden ook recht.
De jonge man wenste me nog veel succes. ‘Zij’ wenste me een goede thuiskomst.

De personeelsverantwoordelijke wandelde mee naar de lift en zei dat hij mijn beslissing bewonderde. Dat er meer kandidaten zouden moeten zijn die in een sollicitatieproces durven te handelen als ik. ‘Niet dat ze haar werk slecht doet, ik heb toch nog geen klachten over haar gehoord.’ Ik zweeg verder maar aan de lift draaide ik me om en stak hem een hand toe met de woorden ‘bedankt om me een kans te geven. Als u ooit een nieuwe coördinator zoekt stel ik me kandidaat.’ Hij keek me nog even na.
Wat een bluf.

Op de terugweg heb ik gehuild.
Maar ik ben goed thuisgekomen, zoals zij het me toegewenst had.

Job interview: waarom waarden tellen

cindy-tang-25654

Afgelopen dagen trokken twee artikels mijn aandacht: ‘Job interview: Why only 3 questions really matter’ van Richard Marr en ‘Welke waarden willen we?’ van Jochanan Eynikel van VKW. Beide artikels herinnerden me aan een sollicitatie van een aantal jaren geleden.

Ik had gereageerd op een vacature bij de Vlaamse Overheid. Volgens mijn interpretatie van het profiel dat ze zochten, had ik de nodige competenties en ervaring om de job goed uit te voeren en het vooruitzicht van organisaties te kunnen informeren, verbinden en op samenwerkingsspoor zetten maakte me zelfs bij het lezen al enthousiast. Restte er van de drie vragen van Bernard Marr nog de laatste ‘Will you fit into the team, culture and company?’

Bij elke sollicitatie neem ik vooraf even telefonisch contact op met de organisatie om al een eerste indicatie te krijgen van de communicatiestijl. Wel zo handig ook bij het schrijven van de sollicitatiebrief, ik kan dan in mijn eerste regel verwijzen naar ons telefoongesprek. Dat deed ik dus ook hier. Er was me iets onduidelijk in de functieomschrijving dus vroeg ik daarnaar, naast enkele vragen over het team waarin ik zou terechtkomen. De vrouw die ik aan de lijn kreeg, de coördinatrice van het project waarvoor deze functie was uitgeschreven, was kort van stof. Ze verwees me meerdere keren naar de website. Al had ik daar gekeken en niet gevonden wat ik zocht. Maar dat had ik misschien beter gezwegen. Ik hield een wrang gevoel over aan het gesprek, maar had toch afgesloten met de melding dat ze mijn kandidatuur weldra mocht ontvangen.

Een tijdje later kreeg ik een telefoontje van een personeelsverantwoordelijke waarop ik uitgenodigd werd voor een gesprek. Ik zou een schriftelijke opdracht krijgen gevolgd door een gesprek voortbouwend op de opdracht. De opdracht was niet moeilijk, ik had immers de website grondig doorgenomen en de vragen betroffen vooral een situering van de werkzaamheden binnen de ruimere context van de Vlaamse Overheid en de stakeholders.

Bij het gesprek waren drie mensen aanwezig waaronder de coördinatrice die ik aan telefoon had gehad en de personeelsverantwoordelijke. De derde persoon ontgaat me nu, maar het was me na één korte overschouwende blik al duidelijk dat die man op ‘vertrouwde’ voet stond met de coördinatrice. Het gesprek verliep zoals wel meerdere sollicitatiegesprekken verlopen, hoewel ik vaak merkte hoe de coördinatrice oogcontact maakte met haar bondgenoot (vergeef me mijn terminologie) bij bepaalde uitspraken die ik deed. Het viel me op dat haar antwoorden vaak ook antwoorden waren naast de vragen die ik stelde, wat me verwarde. In my humble opinion is een evenwichtig sollicitatiegesprek een dialoog en geen vragenvuur of monoloog en al zeker geen keuring. Maar wie ben ik.

Mijn gevoel zat niet helemaal goed en op de laatste vraag die ze stelden ‘wat is er voor jou cruciaal in deze job?’ antwoordde ik ‘dat de cultuur juist zit voor mij.’ Ik zag de coördinatrice met grote ogen en haar hoofd zelfs een beetje schuin kijken naar haar bondgenoot. Ik vulde aan dat de cultuur me het best duidelijk zou worden als ik even met het team kon kennismaken, samen lunchen bijvoorbeeld of een vergadering meelopen. Er werd wat heen en weer ‘geblikt’ maar de vraag bleef hangen.

De personeelsverantwoordelijke vroeg me of ik nog vragen had of eventueel nog iets wou toevoegen. Ik meldde nog dat ik geslaagd was voor de generieke proeven van niveau A – wat eigenlijk enkel voor statutaire functies van belang is en niet voor een contractuele betrekking als deze, maar toch…het geeft m.i. alleszins wel een indicatie van de ‘waarden’ die ik hanteer. Daarnaast vulde ik aan dat ik een erkenning heb voor een arbeidshandicap. Dat is een erkenning die de VDAB uitreikt op basis van een diagnose van een specialist. Organisaties die iemand met zo´n erkenning aanwerven krijgen een tegemoetkoming in hun loonkost. Ik meld dat dus niet overal, omdat ik wil aangeworven worden op basis van mijn kwaliteiten en niet omwille van mijn ‘voordelen’. Maar bij de Vlaamse Overheid mocht ik dit wel toevoegen meende ik.

Een hele poos hoorde ik niets. Maar er kwam een vervolg, dat ik in een volgend bericht zal neerschrijven.

Kwetsbaarheid in de ogen kijken

Photo by Sarah Mak on Unsplash

Zesentwintig was ik toen ik als coördinator de verantwoordelijkheid kreeg over een groot pilootproject. In die functie rapporteerde ik aan de algemeen directeur. De organisatie telde toen ongeveer 900 personeelsleden. Mijn aanwerving had niet veel gescheeld want mijn derde afspraak belde ik af omdat mijn oudste dochter, die toen tien maanden oud was, in het ziekenhuis lag met Osteomyelitis. Ik bleef ´s nachts bij haar en wisselde overdag de wacht om te kunnen gaan werken.
Er was begrip bij de personeelsverantwoordelijke, ik kreeg een nieuwe afspraak en kwam twee weken later op gesprek bij mijn toekomstige baas, me niet realiserend dat hij algemeen directeur was.

Hij gaf ruimte aan mijn emoties voor we overgingen tot de orde van de dag. Toen ik meedeelde dat ‘mijn dochter er wellicht niet aan zou sterven’ zag ik een krimp bij hem, wat me even uit evenwicht bracht. Twee weken later vatte ik dat moment, toen een collega uit zijn persoonlijke vertrouwenskring me toevertrouwde dat hij kanker had ‘maar ik moest het zwijgen’. Een vergiftigd geschenk.
Bij elke vijf minuten die ik kreeg voor een overleg, was ik me bewust van zijn pijn. Wilde er rekening mee houden. Eén keer opperde ik voorzichtig om een andere keer terug te komen, maar hij weigerde.
De laatste keer dat ik hem hoorde was aan telefoon. Ik wilde voor een overheidsdossier uitsluitsel over een financieel aspect. Hij lag in het ziekenhuis en de laatste chemokuur had niet aangeslagen. Ik durfde niets te zeggen over zijn kwetsbaarheid of over hoe graag ik met hem had samengewerkt.
Niemand anders binnen de organisatie wist het fijne van mijn werk. Niemand anders binnen de organisatie interesseerde zich in mijn dossier.

Zijn dood werd me bekendgemaakt tijdens de bevallingsrust n.a.v. de geboorte van mijn tweede dochter. Ik ging naar de begrafenis, maar alles was me vreemd. Ik ploeterde nog enkele maanden voor ik werd opgenomen in het ziekenhuis. Liep toen naarstig door de afdeling op zoek naar ‘mijn baas’. Ik was er van overtuigd dat ik hem zou genezen met mijn ruggenmerg. Het zou niet de laatste keer zijn dat mijn verbeelding met me aan de haal ging. Maar ik herstelde, bleef moedig en worstelde verder. Zocht ander werk. Ik begon opnieuw en opnieuw en opnieuw…
Niemand die ooit iets aan me zag. Alleszins niemand die me er ooit naar vroeg. De verandering in mijn gedrag, het verliezen van kilo´s … ik vat het nog niet.

Met kwetsbaarheid omgaan vergt moed, wilskracht en doorzettingsvermogen. Met kwetsbaarheid omgaan vergt vertrouwen en een stevig netwerk om je op spoor te houden. Niet alle kwetsbare mensen beschikken daarover. Velen trachten  in hun eentje het hoofd boven water te houden, schermen zich af en komen in een isolement terecht. Er is geen ruimte om hun talenten te ontdekken, laat staan in te zetten.
Langs de andere kant beschikken ook niet alle zogenaamd sterke mensen over wilskracht of veerkracht. Of willen zelfs maar kijken naar hun kwetsbaarheid of die van anderen. Je hoeft niet te kijken als de omgeving waarin je je begeeft kabbelt. Maar wat doe je in tijden van verandering en onzekerheid?

Misschien wordt het tijd om de mosterd te halen waar hij zit.