Ver-antwoord

Photo by Brooke Lark on Unsplash

‘Daar is nog een plek meneer’ sprak de vrouw die net op de bus was gestapt.
Op een boze manier reageerde de man vlak achter me ‘Waarom moet ik daar gaan zitten hé, ik moet er seffens af.’
‘Een andere toon graag meneer!’

‘Doe gij maar nen andere toon, ge hebt gedronken zeker?’
‘Neen meneer, hou u maar wat in. Ik zei alleen maar dat daar nog een plek is.’
‘Gij moet zwijgen gij, gij hebt aan mij niks te zeggen.’

De bus stopt aan de halte, de man heft zijn vuist naar de vrouw en stapt af.
‘Hola hola, hou u maar in’

De bus rijdt verder. Het gesprek continueert. Een Marokkaanse man met buggy en diens vrouw met dochter op schoot blijven rustig zitten en observeren.

De vrouw die eerder het woord voerde zegt nu ‘een man die een vrouw slaagt is een watje. Die mag thuis niks.’ De Marokkaanse vrouw knikt glimlachend en koestert verder haar dochtertje.
Wat ging er door dat kleine hoofdje zonet?

‘Hij zal zeker niet gemogen hebben van zijn vrouw.’ Die uitspraak is gericht aan de Marokkaanse vrouw. Ik weet niet of ze die uitdrukking kent en vraag me af wat ook zij over het verdere ontvouwen en dit gesprek denkt.

Ik sta op van mijn zitje en geef de woordvoerster ruimte om op mijn plek te gaan zitten.
‘Ja, wij konden niet door hé, daarmee wees ik hem op de stoel.’

Ik heb mijn halte bereikt en stap af.

Even verderop druk ik op de knop van de voetgangerszijde om toegang aan te vragen tot het zebrapad. Meerdere mensen sluiten aan en staan te wachten. Er verandert niets. Eén man steekt de straat over ondanks het rode voetgangerslicht en drukt op de middenberm opnieuw om een aanvraag te lanceren. Het licht springt nu op groen.

Ik heb het er wat moeilijk mee dat mensen dingen doen die opvoedkundig niet zo ok zijn als er kinderen in de buurt zijn. Hoe leer je je kinderen te wachten tot het licht groen is als een volwassene zomaar de straat oversteekt? Hoe leer je het dat roepen op de bus zelden goed overkomt?

Laatst ging ik op wandel met een vriend en hoewel een fietser met een kleine meisje ook stond te wachten, stak mijn vriend toch snel de straat over. Ik heb hem nageroepen dat ik dat niet ok vond, dat hij moest wachten tot het licht op groen sprong. Luid genoeg zodat de papa en dochter wat verderop op hun fiets het konden horen.

Tja…Fiducia stapt in haar rol als Tata. Tata, die de grote dingen vertaalt op kindermaat.
De papa fietste langs en gooide een ferme ‘FOEI-FOEI-FOEI!’ naar mijn vriend.
Een medestander, altijd fijn.

Mijn vriend voelde zich wat schuldig en repliceerde dat hij niet had gezien dat er een kind op haar fietsje stond te wachten om over te steken. Maar vulde aan dat hij het dom vindt om te wachten als er geen gevaar is. En zei tenslotte dat hij niet zou zijn overgestoken mocht hij het kind opgemerkt hebben.

Of het waar is? Geen idee.

Het is een uitleg als een andere.
Zou de man op de bus anders gereageerd hebben mocht de vrouw haar boodschap anders hebben geformuleerd, met een iets minder dwingende toon misschien?
Ook geen idee. Mogelijk had hij zelf al wat verdovende middelen binnen, of kwam hij van een plek waar hij geërgerd was vertrokken en leefde dit nog een beetje door? Of gewoon last met autoriteit misschien.

Moeten we ons op het openbaar vervoer beter gedragen met matu-riteit in plaats van auto-riteit. Om de busrit-tijd wat aangenamer te maken voor iedereen en in het bijzonder voor kinderen…
Onze kinderen…

Boomdansen

Photo by Andriyko Podilnyk on Unsplash

Vandaag heb ik met een boom gedanst. En nadien hebben twee mannelijke deelnemers aan de danssessie hun impressie van mijn dans gebracht. Het was verrassend te zien dat de ene man zich toelegde op het exploreren van de bast en de schors aan ‘zijn’ boom, terwijl de andere man aan ‘mijn’ boom vooral verkende in hoeverre hij de boom kon gebruiken om zijn eigen beweging vorm te geven.

Al langer dan vandaag voel ik de kriebel om eens te boom-knuffelen. Maar de moed ontbreekt me om me in publieke ruimte te verstrengelen met een boom en de eventuele commentaren van passanten te aanhoren.

Daarstraks ben ik eerst op verkenning gegaan naar de structuur van de boom. Heb mijn voorhoofd op de stam gelegd en mijn vingers laten ontdekken wat er te ontdekken viel. Tot mijn ogen een insect spotten en dat voor een tijdje volgden. Ik heb zachtjes geblazen op de boom en tussen de schors. De gladheid gevoeld daar waar de schors was losgekomen, de broosheid gevoeld van de loshangende schors.

Ruwheid, zachtheid, veerkracht.

Ik heb de boom gebruikt als anker. Met mijn voeten vlak tegen de stam, met één hand errond en me dan laten hangen. De boom was niet zo dik, een luttele twaalf centimeter aan doorsnede maar kon mijn gewicht vlotjes dragen. Ik liet me hangen, deinen, voortstappen en rond de boom cirkelen.

Ik ben op de grond gaan zitten met mijn benen rond de stam en mijn handen op de schors en heb daar op dat moment verdriet gevoeld voor wat wij mensen aanrichten in de natuur. Beide mannen hadden overigens geen verdriet gevoeld enkel vertrouwen in hoe veerkrachtig die bomen wel zijn.

Ik ben met mijn rug tegen de stam gaan zitten en heb een geel klein blaadje opgeraapt en op mijn handpalm gelegd. En terwijl ik naar de bewegingen van het blad keek, voelde ik hoe de boom me steunde in mijn rug. Mijn boom. Ik heb op het blad geblazen, zachtjes, mijn handen langzaam verticaal gebracht tot het blad me verliet.

Ik heb een foto van gemaakt van ‘mijn boom’. Om hem en de ervaring te koesteren.

Ik weet niet hoe lang de exploratie heeft geduurd maar het leek behoorlijk lang. Vooraf vroeg ik me af of ik het niet snel beu zou worden, dit samenspel met de natuur, maar neen hoor. Geen enkel moment voelde ik me verveeld of onrustig worden. Ik vond altijd wel iets nieuws om te exploreren.

Wat me doet besluiten meer op blote voeten te leven.
Mijn eigen tuintje is behoorlijk overwoekerd en het streepje gras staat intussen lekker lang. Als ik er mijn kleine grasmachine op loslaat loopt hij gegarandeerd weer vast elke meter en moet ik de messen elke meter weer vrije ruimte geven.

Misschien moet ik mijn tuin maar een beetje verwilderd laten en enkel daar actie ondernemen waar de harmonie verstoord wordt. En hup, met mijn blote voeten het gras in. Elke dag. Nat of droog. Sneeuw?! Waarom ook niet…

Ik herinner me zo hoe ik mijn oudste dochter als uk van een maand of acht gewoon op een groot deken in de tuin kon zetten en bij wijze van spreken zo achterlaten. Ze kwam niet van het deken omdat het gras aan haar beentjes kriebelde en ze daar angstig van werd. Twee vierkante meter tuingenot.

Langs de andere kant was het gegeven dat ze de vliegende mieren die haar gezelschap kwamen houden op het deken opat, niet zo voedend meer. Of net wel,…ik weet niet hoe het zit met de voedingswaarde van vliegende mieren…

Ja, ik heb dus vandaag met een boom gedanst en dat voelde helemaal naturel.
Keigelukkig word ik daarvan 🙂

In perspectief

Photo by Laib Khaled on Unsplash

Het werd me de laatste dagen een aantal keer gevraagd, in diverse vormen.

Wat zou je psychiater hiervan zeggen?’ of ‘Hoe zouden je kinderen hierop reageren?
Tot vanochtend: ‘Als je een meta-perspectief inneemt, wat merk je dan op?

Dat is inderdaad de kunst als je vastzit, om een ander perspectief in te nemen dan je gewoontedier en vanuit dat perspectief naar hetzelfde fenomeen te kijken. Waar je vastzit in een emotie en de uitspraak dat je vastzit in een emotie die zelfde emotie nog eens even benadrukt en bestendigt, waar net een ander perspectief opening kan brengen. De energie een andere vorm kan doen aannemen.

Neem verdriet of somberheid. Ik beschrijf het als potentiële energie die door fysieke beweging ook letterlijk in beweging kan komen en zo langzaamaan mag transformeren in een andere vorm. Misschien keert dezelfde emotie later wel terug. Maar op dat moment, het lokaliseren van de energie en haar zien, haar toelating te geven er te zijn maar intussen toch iets te gaan doen dat je waardevol vindt, daar schuilt de kracht richting transformatie.
Zoals schrijven hoewel je een zware lading mee draagt.

ACT (Acceptance and Commitment Therapy) spreekt over waardegerichte acties. Acties die stroken met de waarden die je belangrijk vindt.

Als ik vertrouwen leef, dan doe ik mijn stapschoenen aan en trek er op uit. Dan is bewegen mijn waardegerichte actie. Dan is aanvaarden dat ik me niet goed voel een erkenning voor het gevoel maar de keuze voor actie een gedrag waar ik mijn gevoel in meeneem met de intentie beweging te krijgen in wat vastzit.

In mijn geval is er naast somberheid nog een andere energie die me geregeld in de problemen brengt. Het versnelde denken. De enorme kinetische energie die dan leeft in mijn hoofd en handelen. Waardoor een veel en intens ‘doen’ zich opdringt waar ik vaak aan toegeef omdat het zo fijn voelt. Wat me vervolgens uitput en me weer richting vastzitten duwt. Depressed…lees het als ‘deep rest’. Omdat het lichaam niet meer kan.

Maar net in dat ‘snelle denken’, dat ik kan opmerken als ik even verstil, kan ik de keuze maken voor een waardegerichte actie die mijn denken wat vertraagt. Dat kan door bewust te vertragen in mijn bewegingen, langzaam te stappen. Of bewust de tijd te nemen om te koken en mindful te eten bijvoorbeeld. Te focussen op mijn adem. Minder in de ‘doe-modus’ te gaan zitten en meer te ‘zijn’.

Persoonlijk grijp ik alles aan wat me kan helpen mijn energie meer te doseren. En toch ben ik er nog geen kampioen in. Mijn therapeute zei me ooit dat ze me zou leren surfen op de golven van mijn ziektebeeld. Een kleine golf, een grote golf, een onverwachte golf, een druppel…van intens voelen, over gefocust handelen tot mezelf overgeven aan de energie. Loshouden, een mooi woord vind ik dat. Helemaal afstemmen op de energie die er is en de keuzes maken in de richting van mijn waarden.

Ik weet niet of dit bericht zo samenhangend is als ik zou willen. Maar het is wel geschreven in flow, al tokkel ik nog te hard op mijn toetsenbord om goed te zijn voor mijn collega-werkers hier.

Ik zal mijn woorden herlezen, vanuit het perspectief van de druppel zeewater, of hij nu mee de golven vorm geeft of even boven het wateroppervlak piept.

Eens zien waar dat me brengt en voelen of het stroomt.

zie me met jouw ogen
lonk me met jouw blik
voel me tot de avond valt
en steel de laatste snik

de zon in jouw vermogen
die horizonten peilt
leest trots nog mededogen
in een leven zonder spijt

Voorschrijvend Inzicht

Photo by Alexandre Brondino on Unsplash

Zeker ben ik niet dat het daaraan ligt. Maar ik ben nu eenmaal altijd een beetje nieuwsgierig naar dingen die ik in mijn leven tegenkom en niet meteen kan verklaren. Zoals daarstraks. Er sluimerde een inzicht doorheen mijn avond gisteren en toen ik dat vandaag een beetje grondiger onderzocht voelde ik een ‘zucht’...het inzicht landde en werd een ‘weten’.

Maar toen ik er dus daarnet even tussenuit trok op mijn trapmachien, om wat lucht te happen, gehuld in een andere jas dan doorgaans wat een herschikking van spullen allerhande noodzaakte…

(beetje te lange aanloop dit, zal dit seffens even herlezen…want ik heb gehoord dat schrijven schappen is…al heb ik die uitspraak ook nooit echt goed begrepen…
Is schrappen dan ook schrijven?
Of is het een logica van de orde “een vogel is geen mus”
…al volgt daarop: “en een stamp is gene kus”
Maar dat laatste is tenminste wel goed invoelbaar.)

En dat een mus wel degelijk een vogel is, is niet meer dan het gevolg van voortschrijdend inzicht…En nu schreef ik net ‘voorschrijVend inzicht’…vind ik ook wel iets hebben…een blogtitel werd geboren…

Dus…ondervond ik daar op trektocht dat ik teen en tander niet terugvond. Dus placeerde ik telkens (met engelengeduld) mijn rugzak op de grond, binnen zowel als buiten al naargelang wat ik koortsig zocht…want intussen blokkeerde ik wel de weg van de mensen die exact op de plek wilden zijn van ik en mijn rugzak. Dus gehurkt en rustend, bracht ik de inhoud tot uithoudens toe naar buiten. Al bij al vond ik dan telkens terug waar mijn onderbewustzijn mee gaan lopen was. Enfin, bij wijze van spreken dan.

Maar dat brengt me op het volgende: als ik me de dingen waarvan ik me bewust ben als het topje van de ijsberg voorstel, dan heet het hele deel onder de waterlijn, dat dus veel groter is dan dat wat vanop ons dobberende bootje of schoonschip zichtbaar is, het onderbewuste. Of onbewuste…heb ook nooit het verschil daartussen begrepen, hoewel ik me een vrouw herinner die zeer duidelijk stelde…dat ze kriebels kreeg van één van beide woorden. Ik weet dus niet meer welk van de twee…de indruk zal niet stevig genoeg gemaakt zijn.
Of ik was niet klaar voor het inzicht, dat kan ook.

Zucht…waar leidt dit naartoe, Fiducia?

Sssst!
Waar was ik: ah ja!
Al die wezens die onder de waterlijn kunnen kijken, die hebben dan toch een veel groter bewustzijn dan wij mensachtigen? Bovenwaterigen? En al die ruime bewustzijnswezens, die zijn zich dan wellicht niet bewust van wat er boven water allemaal gebeurt? Tenzij ze af en toe dolfijngewijs komen piepen of walvissproeien.

Zou er een taal bestaan die zowel zij, de onderwaterigen als wij, de bovenwaterigen ons kunnen eigen maken, zodat we van elkaar kunnen horen welke wijsheid ons zal vooruit helpen in datgene waar we nu mee worstelen?

Wellicht is niet alle wijsheid die we hebben even interessant of bruikbaar voor het deel van ons dat we ‘zij’ noemen. Maar had ik niet ergens gelezen dat ons bewustzijnscapaciteit voor 5% gebruiken om ons leven vorm te geven. En dat we 95% dus niet benutten?! Terwijl we dat ding dat we bewustzijn noemen kunnen inzetten voor groei in menselijkheid.
Neen, ruimer dan dat.
Groei in Levensenergie.

Wat als we daar eens op inzetten?

Onderhand-delen

Photo by Andrew Neel on Unsplash

“Als je een euro hebt, krijg je mijn kar”, zei ik zelfverzekerd.
“Ik heb geen euro”, schudde de man terwijl hij zijn fiets vastmaakte, “ik heb geen kleingeld bij.”
“Ah, dan zal je niet binnen kunnen, want je moet hier een kar nemen en deze hier zijn er met geld.”
“Misschien heb ik een jeton”, sprak hij nog.

Ik ging tijdens het spreken verder met het wegstoppen van mijn luttele moestuinzaaiplan-aankopen en hij stond daar nog steeds aan zijn fiets en tasje te foefelen.
“Ik heb wel vijftig euro”, grapte hij.
“Dat is ook goed”, heb ik al glimlachend geantwoord, zonder hoop op een goeie deal overigens.

“Hier, neem de kar maar”, zei ik en ik gaf ze een klein duwtje.
“Ik kan je euro komen brengen”.
“Haha, neen, laat maar.”

Ik heb voor de voorzichtige volledigheid nog aangegeven dat de kar ontsmet was.
Hij wilde weten of de euro dat ook was.
Ook dat nog…
Een euro in ‘bruikleen’ krijgen en dan nog kieskeurig zijn ook…

Het was maar een euro, maar ik heb hem dus weggegeven hoewel ik had gehoopt een eerlijke deal te kunnen sluiten.
Zo goed ben ik dus in onderhandelen…

Het was ‘maar’ een euro maar ik had er eerder goed op gelet hem niet uit te geven omdat ik niet zo een jeton bezit om winkelkarren los te maken en de enige restjes van mijn kleingeld zo van die gelige en koperen muntjes zijn.

Dus zal ik opnieuw mijn onderhandelvaardigheden moeten boven halen bij de bakker of zo…
Of die al bereid zal zijn vijf ‘twintig-centiemp-jes’ te ruilen voor een euro…in deze tijd…
En anders wordt het winkelen in zaken waar de karren vrij van muntstuk zijn…en hopen dat ze hebben wat ik zoek.

Zucht. Dat het allemaal niet simpel is.

Of wie weet, reikt iemand ook gewoon ooit een keer zijn of haar kar aan mij aan zonder iets terug te vragen.
Of ik ga niet meer winkelen hé, dat is wellicht nog de verstandigste oplossing.

Ik herinner me wel nog de drie jongeren toen bij de broodautomaat, waar één van hen me niet alleen een euro gaf maar me ook het pompoenbrood adviseerde. Duizendmaal dank, waar je ook bent! Ik vrees dat ik de jongeman niet meer ga herkennen als ik hem tegenkom, maar ik ben nog altijd blij dat ik tenminste heb benadrukt dat hij en zijn makkers zichzelf moesten zien als ‘primair’ in plaats van ‘secundair’, zoals zij zichzelf noemden. Omdat ‘wij’ hen zo noemen.

Ik snor even het juiste blogbericht op. Voilà, bij deze de link.
Ook de spontane kus van de zwerver toen ik hem centjes gaf voor twee overnachtingen in de nachtopvang, herinner ik me. Daar schreef ik ook een berichtje over ooit…maar ik heb geen zin om het op te zoeken.

Inmiddels weet ik al langer dan vandaag dat ik anders in elkaar zit dan de doorsnee mens.
Zo herinner ik me de woorden van dezelfde zwerver over het ‘deksel-op-de-neus’ van een vrouw die hem radicaal had afgewimpeld toen hij haar alleen nog maar had aangesproken.

Misschien worden mensen niet graag geconfronteerd met kwetsbaarheid. Dat kan hé.
´t Zal daarom zijn dat geen kat mijn blogberichten leest 😊

Een euro opbrengst per klik.
Stel u voor dat dat kon…
Dan kan je na een tijd wellicht alle winkelkarren uitlenen, heel alleen in alle rust de keten doorstruinen en zonder file aan de kassa verschijnen.

Ik zal er eens over nadenken…
Zo, dat is ook weer gebeurd 😉

Over woorden, hun betekenis en hun afleidingen

Schoen´s meer

Photo by Road Trip with Raj on Unsplash

ieder schoentje heeft haar leest
waarop ze werd geschoeid
en ieder boek dat Zijn nog Leest
ervaart zich om de hoek

ook uit het Niets kan Bang ontstaan
zal mensheid het straks halen?
Verbeelden over Leven
Doet

Vermogendheden tanen

Artificial Intelligence v16.3.21

Photo by Markus Winkler on Unsplash

Ik vroeg het me al eerder af. Hoe dat zit met artificiële intelligentie (AI) en of dat allemaal wel goedkomt als voortschrijdend inzicht de intelligentie doet toenemen.

AI is immers geprogrammeerd door mensen en als de onderliggende waarden van die mensen niet ‘oer-degelijk’ of ‘universeel’ zijn, is wat op de voorgrond treedt bij opeenvolgende iteraties van de intelligentie misschien helemaal niet zo proper meer.
Mijn waarden zijn niet noodzakelijk uw waarden, die van uw ziekenhuis/high-tech bedrijf of die van een superdiverse samenleving.

Maar nog…stel dat het brein van een mens kan worden in kaart gebracht en dat men ontdekt waar zogenaamde ‘fouten’ zitten in de constructie. Op het systeem ‘mens’ zit dus een fout. Ik zeg maar wat, bijvoorbeeld een persoon met de ziekte van Parkinson. Dan kan misschien met een beetje programmatuur aan energiefrequenties op de juiste plek in de hersenen gezorgd worden dat die Parkinson niet zoveel impact meer heeft in het leven van de zieke.
Misschien moet je daarvoor ‘als patiënt’ zelfs niet uit je douche komen.
Gewoon een beetje geduld oefenen en goed afdrogen.

Mooie intentie.
Vanaf dan wordt de persoon een beetje een cyborg, denk ik dan.
Een Natuurlijk Object met een vleugje Artificialiteit.
Maar zeker ben ik niet…

Maar met de Natuur van een mens weet je nooit wat er vanaf dan gebeurt.
Wat als die codering gaat interageren met andere ‘Natuurlijke’ onderdelen in het lichaam en bijvoorbeeld de tremor van de Parkinson overgaat in verstarring van ledematen.
Of zintuiglijke ervaringen veranderen en je bijvoorbeeld niet meer kan ruiken.
Hoe los je dat dan op?

Ga je dan nieuwe programmatuur loslaten op het brein of het geheel formatteren of een upgrade ‘installeren’ van de oude programmatie?
Als een middel om de nevenwerkingen van een eerder middel teniet te doen.
(Waar heb ik dat nog gehoord?)
En hoeveel iteraties zijn hiervoor dan nodig en hoeveel ‘mens’ is onze ‘cyborg’ dan nog?

Stel dat die cyborg dan, ik zeg maar wat, de autostrade oversteekt en een ongeluk veroorzaakt.
Welke verzekering moet hij/zij/het dan aanspreken?
En wie is aansprakelijk voor het ongeval?
Het object of de installateur van de programmatuur of de overhead?

En zijn mensenrechten trouwens ook toepasbaar op cyborgs?

En tenslotte, hoeveel ‘foefkes’ moet je nog bovenhalen om te zeggen dat je toch liever terug de parkinson zou dragen, liever Natuur bent dan Artificieel?
Meer nog, kan je dan nog terug?
Zoja naar welke leef-tijd?
En hoe is je verhouding tot het klimaat dan?
En valt je spirituele ontwikkeling dan ook weg?

#dathetallemaalnisimpelis

Kind-ly

Photo by Matt Collamer on Unsplash

“Kunt ge in het vervolg iets zeggen in plaats van drie keer te bellen?”
Ik keek om en zag een jongedame ietwat onzeker op haar GSM turen vooraleer ze de bus verliet langs de draaideuren die de chauffeur speciaal voor haar had geactiveerd.
Ik zag het meisje staan dralen buiten net ter hoogte van mijn stoel, haar GSM intussen aan haar oor…

Was ze kort bij haar bestemming?
Of had ze toch een vierde keer moeten bellen…

De bus was inderdaad op korte tijd een paar keer gestopt.
En de buschauffeur stopt(e) wellicht niet graag als niemand de bus op- of afstapt(e).
Ik had niet gekeken, maar ik onderstel dat het zoiets moet zijn geweest.

Ik had wel met de chauffeur te doen. Je kiest een job omdat klantvriendelijkheid het belangrijkste aanwervingscriterium is, je wil je klanten, ongeacht hun achtergrond, op een veilige en aangename manier van halte tot halte brengen…en je wordt dan ineens door een virus waar je zelf niet voor gekozen hebt afgesneden van je reizigers. Met plastic nog wel.
Dat gaat wellicht al eens op je humeur werken. En dan weet je misschien op de duur niet zo goed meer wat dat inhield, klantvriendelijkheid…ik denk maar wat al typend…

Allemaal Ónderstellingen…

En toch…
Enkele haltes verder stopt de bus opnieuw en ik zie een man die heel netjes gekleed gaat ter hoogte van de deuren bij de chauffeur geduldig staan kijken en wachten. Wachten tot de deuren opengingen, onderstel ik. Ik zat klaar om hem teken te doen dat hij achter me moest opstappen, mocht hij mijn kant uitkijken, maar ik onderstel dat de chauffeur me voor was, aangezien de man zich naar de deuren achter me repte en een plaatsje zocht.

In deze ‘wachttijd’ hadden mijn oren nog de woorden ‘As get nu nog ni wet!‘ opgepikt. Maar die woorden had de brave man niet gehoord, omdat hij nog onderweg was van ‘tegen zijn verwachting in’ naar ‘ah, hier is de opstap. Da´s raar…’
Of zo.

Later zou blijken dat hij wellicht in een andere taal dacht…maar daar kom ik nog.

De bus klotste verder.
Tot ik mijn eigen rit besloot af te ronden door te bellen.
Aan de afstap heb ik heel duidelijk en hartelijk ‘dankjewel’ geponeerd in de richting van de chauffeur. Mij had ze veilig van halte naar halte gebracht. Ik ben haar daar dankbaar voor. En tenslotte, het gedicht van Rilke reed mee met mij…dat van die draken en prinsessen en liefde nodig hebben en zo…

‘Excuse me’, hoorde ik zacht achter me.
Diezelfde man van de ‘wet et nog nu nog ni’ was blijkbaar ook afgestapt en stond wat rond te draaien met een papiertje en zijn GSM in de hand. Zijn vraag leek dringend.
Maar aangeziene ik het station wist zijn heb ik hem snel kunnen helpen.
Hij weg. Ik weg.

Voor de avondrit heb ik opnieuw de bus genomen. En ik voelde hoe mijn mondhoeken krulden telkens ik een autobus vanuit de tegenovergestelde richting zag aankomen en zo nonchalant dat handje van de chauffeurs de lucht in ging, al dan niet vanuit hun openstaande raampje. Een kleine begroeting tussen ‘ons’.

We stopten ook aan een halte die ‘grens’ heette.
Bijzonder vond ik dat.
En de bus durfde er zelfs voorbij…

Ook aan deze chauffeur heb ik hardop ‘dankjewel’ gezegd net voor ik afstapte.
Ik werd een beetje vertwijfeld aangestaard door de andere passagiers die afstapten.
Achter het stuur bleef het stil.

Maar dat begrijp ik wel…na een inspanning eventjes jezelf helemaal afsluiten en denken: dat heb ik mooi gedaan! Verstillen nu.

‘In a world where you can be anything, be kind’
Mijn excuses…ik weet niet echt wie bovenstaande woorden op deze manier samenstelde…
Overal waar ik ermee goochelde, kreeg ik ‘unknown’ als antwoord…

Maar mooi zijn ze wel, toch?!
Want is dat niet het enige dat er aan het eind van de rit echt toe doet?!



Qi-doosje

Photo by Daoudi Aissa on Unsplash

Persoonlijk krijg ik de kriebels als ik het zie.
Stel je voor: een geboortekaartje, een uitnodiging voor een huwelijk of een overlijdensbericht.
Met dan onderaan een rekeningnummer waarop je een bijdrage kan storten.

Het is als vragen:
Hoeveel vind jij dat ons kindje waard is?
Hoeveel durf jij erop inzetten dat ons huwelijk langer duurt dan pakweg drie jaar?
Respectievelijk: Toont nekeer met jullie centjes hoe blij jullie zijn dasze dood is? Zodat we kunnen investeren om de herinnering aan haar op te bouwen.
Huh?! Is dat niet wat raar en laat?
Was zorgen voor een ‘fijne innering’ niet voedzamer geweest voor de Levendigheid der relationele aan- en afgelegenheden?

Bijdragen aan een leven doe je door in levensenergie te investeren. Schoonheid toe te voegen (in de ruime context) die mag ont-dekt worden. In een huwelijk moet je investeren in de balans tussen vrijheid om te gaan en goesting om te blijven (al denk ik dat ik daar bij een tweede keer nadenken, nanadenken dus, misschien anders over denk) en voor degene die overlijdt heeft geld geen waarde.

‘Maja, dan gaan de mensen cadeaus geven waar we niets mee zijn.’
En ze zwijgen dan stil dat ze dat cadeau online te koop zullen aanbieden en vergeten dan ‘dedju dedju’ dat in die aangeschreven lijst contacten ook tante Annette zat…die die haardroger dus had gekocht…
En ge hadt er al één…vandaar…

Tot zover de relatie!
Gelukkig geraakte de haardroger toch snel verkocht zodat je hebt wat je eigenlijk altijd al wou: Geld.
Iedereen content?
Oefening 1: Stel je eens in de plaats van tante Annette?
Oefening 2: Wat zou de relatie tussen tante Annette en jullie hieruit concluderen?
Oefening 3: Hoe hoog van de toren zal de haardroger nog blazen?

Of vinden jullie het normaal om geld te vragen aan mensen die je wel, niet, niet zo goed… kan uitstaan maar waarvan je weet dat ze toch altijd geven?
Grabbelgraai.

Waarom is geld op zich geen waardevol geschenk?

Hoe meer ik hier op mijn eigen woorden zit te gapen, hoe meer ik denk: geen kat die me volgt.
Dit is een zo wijdverspreide gewoonte…geld vragen.
Waarover mekker je toch, Fiducia?

‘En trouwens, ja, geen centjes dus…dat zegt gij, omdat ge toekomt!’
Dat is waar. En omdat ik toekom geef ik ook aan projecten die meer in beweging zetten dan dat ik hier vanop mijn kussentje op mijn stoel …(ja, dat is hier geen echte bureaustoel, dat is zo een gewone houten stoel uit de jaren stillekes, met een kussentje erop. Soms schuift dat kussentje eraf als ik me naar voor schuif om de puntjes op de i te zetten. Dan moet ik me dus bukken. Maar op zich beïnvloedt dat mijn bewustzijn niet heel erg. Ik pak dan gewoon dat kussen en leg het weer op de stoel, poneer mijn billen en ga verder waar de denkbeeldige komma erom verzocht.)

Waar zat ik trouwens?
Nog steeds op mijn stoel merk ik…al is het strikt genomen zelfs niet eens ‘mijn’ stoel.
Heb ik dan recht van spreken? (ook dat is dus een vraag, getuige het vraagteken)


Ah ja, investeren dus in projecten en organisaties die naar mijn ‘inschattingsvermogen’ goed bezig zijn.
Dan krijg ik immers een beetje het gevoel dat ik zinvolle dingen ‘doe’.

Een oude vrouw als ik. Wat kan ik anders?

Ik vind het wel nuttig om opgroeiende kinderen een budget te geven. Om met hen in dialoog te gaan en te onderhandelen over welke aankopen ze daarmee zouden bekostigen.
En of dat een extra sponsoring verdient of niet. Glunder glunder…omdat er is over nagedacht en gewikwogend geconcludeerd…wat op zich de energie al doet stromen tussen wikken en afwegen. Twijfelen en durven.

Alleszins, ik ben heel blij dat ik zonet een over-opa bereid heb gekregen dat hij een cadeau van Waarde zal geven aan zijn eerste achterkleinkind. Het heeft me wat vragen gekost, ik moest de ui er schil per schil afplooien zonder te huilen, maar uiteindelijk waren het een prentenboek en mijn audioversie ervan die hem hebben overtuigd. Hij wist zelfs niet meer dat hij het audioboek al had beluisterd…Maar toen was zijn achterkleinzoon nog niet geboren. Dan blijven zo´n dingen allemaal wat minder ‘plakken’ emotioneergewijs.

En mocht tenslotte blijken dat wat de inspiratiefase net heeft verlaten toch resulteert in een teleurstelling aan de ontvangerszijde…wel…dan merken we dat op en raap ik als verslagene mijzelf en mijn kussentje weer bij elkaar en mediteer ik nog een keer over Liefde.

En hoe het komt dat ik dat Waardevol vind.
Fopspelen.
Huh?!


Le Petit Prince

Photo by Casey and Delaney on Unsplash

Het boekje steekt al heel lang in mijn handtas. Pas vandaag las ik het helemaal uit. Tijdens een gedwongen terrasbezoek, met een halve liter bruiswater als compagnie. Met mijn rechterbeen op een lege stoel. Omdat een vreemdsoortige kramp zich had meester gemaakt van mijn rechter kuit.
Misschien maar goed zo. Anders was ik wellicht oeverloos blijven rond drentelen.

Mijn verwachte compagnie had zich verontschuldigd waardoor ook de avondlijke uren vrijkwamen. Jammer van de niet gedeelde ervaringen. Maar beter voor de niet-gedeelde beestjes en hun consequenties. Een pannenkoek met suiker leek me dan een welkom alternatief.
Geen zoetgevooisde woorden. Wel zinnenprikkelende zoetigheden.

Het was genieten.
Ik realiseerde me dat mijn mondhoeken zich geregeld tot een glimlach plooiden en dat dat voor de andere terrasbezoekers mogelijk voor wat nieuwsgierigheid zorgde. Als ze zich al met iets anders dan zichzelf bezighielden.

Het kon en kan me niet deren.

‘De kleine Prins’ van Antoine de Saint Exupéry. Ik heb er verschillende uitgaven van. Degene die ik bij me droeg bevatte de tekeningen van de schrijver zelf. In mijn kast staat er nog eentje in prentenboekversie. Zelfs het Franstalige exemplaar heb ik.

Een ander verhaal dat ik koester is ‘Alice in Wonderland’ van Lewis Carroll. En daar heb ik…euh…een tiental varianten van. En ook voor dat verhaal heb ik nooit de tijd genomen om het in stilte helemaal te consumeren.
Stukjes, dat wel.

Vooral het grote prentenboek met tekeningen van Rebecca Dautremer vind ik bijzonder.
Past niet in een handtas. Alvast toch niet in één van de mijne.

Leeftijdloze verhalen.
Verwondering die aanstekelijk werkt.
Vragen om bij stil te staan.
Mooie prenten om in te verdwalen.

Het voelen kriebelen. En dan die kriebel doorgeven.

Ik durf kinderboeken cadeau doen aan volwassen mensen. Geen boek dat beter omschrijft hoe we in elkaar zitten of met emoties of gebeurtenissen moeten omgaan dan een goed geschreven kinderboek.
‘Het land van de grote woordfabriek’ van Agnès de Lestrade en Valeria Docampo was lang mijn lievelingsboek. Beklijft niet bij alle kinderen, maar meestal wel bij de ouders die hen vergezellen in het luistermoment.

Volwassen informatieve boeken draaien vaak serieus rond de pot. Tonnen achtergrondinformatie. Terwijl de essentie te vatten is in een paar welgemikte woorden.
Pannenlapje nog aan toe.

Dit zijn minder woorden vandaag dan gangbaar is op dit blog. Omdat ik zweeg over de vrouw die ik ontmoette. Ze begroette me hartelijk. Ik groette haar terug. Ze zei dat ze niet ver meer kon lopen. Ik vroeg hoe dat kwam. Ze wees naar haar rechtervoet waar een verband rond zat. Ik zei dat ik het jammer vond. En vroeg of het zou gaan. Ze beaamde. Ik vroeg nog of ze dacht dat we elkaar kenden. ‘Neen’, zei ze, ‘ik zeg goeiedag aan iedereen’. Ik besloot met ‘Dat is mooi’ en we vervolgden ieder onze weg.

Later op de dag kreeg ook ik kramp. Maar ik sprak er niemand over aan.
Het werd een geheim dat De Kleine Prins wellicht meenam naar zijn planeet.

Ssst! Hou het stil.