Ver-antwoord

Photo by Brooke Lark on Unsplash

‘Daar is nog een plek meneer’ sprak de vrouw die net op de bus was gestapt.
Op een boze manier reageerde de man vlak achter me ‘Waarom moet ik daar gaan zitten hé, ik moet er seffens af.’
‘Een andere toon graag meneer!’

‘Doe gij maar nen andere toon, ge hebt gedronken zeker?’
‘Neen meneer, hou u maar wat in. Ik zei alleen maar dat daar nog een plek is.’
‘Gij moet zwijgen gij, gij hebt aan mij niks te zeggen.’

De bus stopt aan de halte, de man heft zijn vuist naar de vrouw en stapt af.
‘Hola hola, hou u maar in’

De bus rijdt verder. Het gesprek continueert. Een Marokkaanse man met buggy en diens vrouw met dochter op schoot blijven rustig zitten en observeren.

De vrouw die eerder het woord voerde zegt nu ‘een man die een vrouw slaagt is een watje. Die mag thuis niks.’ De Marokkaanse vrouw knikt glimlachend en koestert verder haar dochtertje.
Wat ging er door dat kleine hoofdje zonet?

‘Hij zal zeker niet gemogen hebben van zijn vrouw.’ Die uitspraak is gericht aan de Marokkaanse vrouw. Ik weet niet of ze die uitdrukking kent en vraag me af wat ook zij over het verdere ontvouwen en dit gesprek denkt.

Ik sta op van mijn zitje en geef de woordvoerster ruimte om op mijn plek te gaan zitten.
‘Ja, wij konden niet door hé, daarmee wees ik hem op de stoel.’

Ik heb mijn halte bereikt en stap af.

Even verderop druk ik op de knop van de voetgangerszijde om toegang aan te vragen tot het zebrapad. Meerdere mensen sluiten aan en staan te wachten. Er verandert niets. Eén man steekt de straat over ondanks het rode voetgangerslicht en drukt op de middenberm opnieuw om een aanvraag te lanceren. Het licht springt nu op groen.

Ik heb het er wat moeilijk mee dat mensen dingen doen die opvoedkundig niet zo ok zijn als er kinderen in de buurt zijn. Hoe leer je je kinderen te wachten tot het licht groen is als een volwassene zomaar de straat oversteekt? Hoe leer je het dat roepen op de bus zelden goed overkomt?

Laatst ging ik op wandel met een vriend en hoewel een fietser met een kleine meisje ook stond te wachten, stak mijn vriend toch snel de straat over. Ik heb hem nageroepen dat ik dat niet ok vond, dat hij moest wachten tot het licht op groen sprong. Luid genoeg zodat de papa en dochter wat verderop op hun fiets het konden horen.

Tja…Fiducia stapt in haar rol als Tata. Tata, die de grote dingen vertaalt op kindermaat.
De papa fietste langs en gooide een ferme ‘FOEI-FOEI-FOEI!’ naar mijn vriend.
Een medestander, altijd fijn.

Mijn vriend voelde zich wat schuldig en repliceerde dat hij niet had gezien dat er een kind op haar fietsje stond te wachten om over te steken. Maar vulde aan dat hij het dom vindt om te wachten als er geen gevaar is. En zei tenslotte dat hij niet zou zijn overgestoken mocht hij het kind opgemerkt hebben.

Of het waar is? Geen idee.

Het is een uitleg als een andere.
Zou de man op de bus anders gereageerd hebben mocht de vrouw haar boodschap anders hebben geformuleerd, met een iets minder dwingende toon misschien?
Ook geen idee. Mogelijk had hij zelf al wat verdovende middelen binnen, of kwam hij van een plek waar hij geërgerd was vertrokken en leefde dit nog een beetje door? Of gewoon last met autoriteit misschien.

Moeten we ons op het openbaar vervoer beter gedragen met matu-riteit in plaats van auto-riteit. Om de busrit-tijd wat aangenamer te maken voor iedereen en in het bijzonder voor kinderen…
Onze kinderen…

Hou het leuk

Photo by Courtney Cook on Unsplash

We staken de straat net over toen ik zei: ‘Als ik goed in mijn vel zit ben ik best een toffe madam hé.’
Ze moest lachen, mijn zus, maar beaamde dat we tijdens ons traject vandaag al goed gelachen hadden.

Toen ze daarstraks naast me kwam zitten – ze kwam van de andere kant van waar ik haar verwachtte – ze was er dus al, wat bij de meeste van onze afspraakjes niet het geval is… Zij komt immers ‘altijd’ een vijftal minuten te laat en ik een vijftal minuten te vroeg op onze afspraken.
Maar we waren daarstraks dus op elkaar afgestemd en waar ik toe wou komen is dat ze me meteen vroeg hoe het ging.

Naar waarheid zei ik dat het opnieuw niet zo goed ging. De ochtend was heel zwaar geweest. Ik had een poging gedaan op een andere plek dan naar mijn gewoonte het freewriting op te nemen, maar heel mijn lichaam was een dik half uur in protest mijn schrijven aan het manipuleren en beoordelen.
Tranen rolden. Woede sluimerde. Toch zette ik door.
De oefeningen van week twee in het boek heb ik vandaag niet bekeken, maar dat kan alsnog. De ‘Julia-Cameron’-week loopt tot en met zondag. Daarna wordt het evalueren hoe de week verlopen is en het aanvatten van een nieuwe opdrachtenweek.
Hopelijk met een positieve switch één van de komende dagen. Van bij het opstaan al bijvoorbeeld. Zo vanuit het niets eens kiplekker uit bed kakelen met mijn juiste been.

Maar goed. Mijn zus en ik moesten een halfuurtje wachten vooraleer we de tentoonstelling van de eindwerken van de lokale academie konden bezoeken. Zij was de gratis toegangskaarten al gaan oppikken toen ik nog niet gearriveerd was.
Omwille van Corona-maatregelen mochten er maar een beperkt aantal mensen tegelijk binnen.

Wat bizarre maar ook zeer mooie werken zag ik. Geen idee hoe je dat allemaal maakt. Ook beneden hingen tekeningen waarvan ik dacht ‘mij lukt het nooit om zoiets te creëren’. Al heb ik nog geen traject gevolgd dat mijn tekenvaardigheden aanscherpt. Er liggen wel een aantal boeken klaar om in te duiken. Zoals één van Betty Edwards, met een aanpak waarvan ik me door een tekenaar heb laten wijsmaken dat hij haar veel vroeger in zijn professionaliseringstraject had willen leren kennen.

Vandaag twijfelde ik wel in de boekhandel of ik een tekenboekje zou aanschaffen om het maken van een dagelijkse schets te stimuleren. De juiste intentie in combinatie met een mooi schriftje. Het boekje had een mooie vormgeving.
Ik was altijd al dol op papierwerk en pennetjes allerhande. Als kind kon je me meestal in de papierwarenafdeling vinden in de supermarkt waar mijn ouders elke week naartoe gingen. Mijn ma deed dan de boodschappen, ik stond aan de papierwarenafdeling te genieten en mijn vader en broer snuisterden rond bij de tijdschriften.

In de boekhandel waar we na de tentoonstelling belandden, was ik mijn zus aan het plagen en de verkoper die haar aankoop afhandelde deed met me mee.
Ik nam een flyer bij de hand waarop stond:
Omdat spelen leuk moet blijven – ken uw limieten.’
‘Gok je nog zoveel?’
vroeg ik. ‘En hoe gaat het nu met je alcoholverslaving?’
‘Hier staat dat je je limieten moet kennen.’

Zus lachte.

De verkoper zei: ‘ja, gooi het in de groep.’
Voor de zekerheid en het imago van mijn zus voegde ik toe dat ik een grapje maakte.
De verkoper antwoordde dat hij dat doorhad. Wat ik eigenlijk wel besefte. Vanwaar dan toch al die woorden…

Ik nam de flyer mee en ga meteen even analyseren of mijn gewoonte om mezelf af te breken als ik me niet goed voel een goede raad mag horen van een foldertje dat gokverslaving wil aanpakken of vóór zijn.
Al vind ik het ook een beetje dubbel…dat foldertje lag bij loten van de Nationale Loterij…dan is het van ‘koop ze, speel mee, maar zeg niet dat we u niet verwittigd hebben.’
Dat lijkt in mijn ogen veel op ‘koop maar en rook ze, maar kijk hier alvast wat je te wachten staat.’

Wie is dan verantwoordelijk voor wat?
De koper of de verkoper, of de goede intentionalistenaar?

Ik lees verder op de flyer: ‘(…) Toch heeft 1 tot 2% van de westerse volwassenen een gokprobleem. Bij jongeren loopt dat zelfs op tot 5%. (…)

Dus voeg ik meteen ook maar de regel toe die past bij dit soort mededelingen:
Doe de test via www.ken-uw-limieten.be om te kijken of u een gokprobleem heeft.

En voor mezelf zal ik dan morgen op zoek gaan naar wat mensen die me willen laten weten of ik een toffe madam ben of niet. En dan eventueel verwijzen naar https://www.fiduciacaro.be

Verleg uw grenzen, Fiducia, maar let erop. 😉

Uitrusting

Photo by Matteo Catanese on Unsplash

“Ben je met de fiets?” vroeg hij.
Ik keek de man die me net met zijn winkelkar was gepasseerd wat verwonderd aan.
“Ja, hoezo?”
“Omdat je een regenbroek aan hebt.”
“Ah ja” zei ik, “dat heb je goed gezien.”
“Waar koop je dat?”
“In de fietswinkel” antwoordde ik een tikkeltje verbaasd.
“Kruipen die pijpen dan niet tussen uw ketting of uw trappers?”
“Neen, aan deze broek zijn velcro´s om aan te spannen en alles wat bij elkaar te houden aan mijn enkels.”

Vreemd gesprek vond ik dit.
Maar hij leek tevreden over de interactie want hij wandelde alweer door zonder verdere begroeting. “Succes ermee”, stuurde ik hem nog na.

Ik vervolgde mijn weg, stond daarna even aan te schuiven aan de kassa waarbij ik me plots realiseerde dat ik iets vergat. Ik keerde dus via een omweg terug op mijn passen en zag dezelfde man met een jonge Aziatische vrouw staan praten ter hoogte van de vleesproducten.

Aan haar gezicht af te lezen leek ze zich niet helemaal open te stellen voor de man.
Maar ik haalde mijn vergeten boodschap op, betaalde aan de kassa en stapte op mijn fiets af om mijn draagtassen ‘vloeiend’ in de fietszakken te schuiven.

“Ah, die schoenen ken ik” hoorde ik toen ik voorovergebukt een beetje stond te sukkelen.

Het was een vriend van me die ik de afgelopen dagen en weken al een paar keer ben tegengekomen in de stad. Soms omdat we afspraken, vaak ook toevallig, als hij ergens stond te praten en ik voorbijfietste of wandelde.

Los van mijn schoenen die hij de dag tevoren ook al had aanschouwd omdat ik er iets had over gezegd in de trant van “het zijn niet echt wandelschoenen maar mijn broek is te kort dus doe ik deze korte laarzen aan zodat het niet echt opvalt.”
Omdat we gingen wandelen was het wel een gedurfde keuze om een korte laars met hak te dragen natuurlijk, maar het wandelen lukte wonderwel.
We overschreden dan ook de 10km niet, misschien geen detail.

Ik begeef me vaak op straat om dan te vergeten hoe ik eruit zie. Met een regenbroek onder een regenjas, een muts over twee oren waaraan een mondmasker is gehaakt.
Een mondmasker dat ik al fietsend meestal gewoon onder mijn kin span om het aandampen van mijn bril te slim af te zijn.

Meestal consulteer ik ook het weerbericht niet.
Wat al eens tot verrassingen leidt al dan niet resulterend in een verkoudheid her of der.

Vroeger -en misschien moet ik ‘haar’ nog ergens hebben liggen – droeg ik bij regenweer op de fiets een cape. Maar als er dan een weerscombinatie was van regen én wind, kreeg ik vaak dat bodempje water in mijn gezicht gezwiept bij een windvlaag.

Als kind droeg ik dat niet graag om naar school te gaan. En de kansen om in de regen te rijden waren voor mij dubbel zo groot, omdat ik vele jaren thuis ben gaan middageten.
Zo heb ik ook ooit een broek verbrand door ze na de lunch snel even met de haardroger droog te blazen. Van iets te dichtbij.
Opbrengst: een zwarte schroeivlek en een gaatje. Het was een beige broek, dat herinner ik me nog. Eentje die ik graag droeg. Maar mijn ma heeft er een, hoe heet je dat, ‘applique’ op genaaid waarna ik ze nog heb gedragen.

Bijna net als die knielappen en ellebooglappen van (vooral) de jongenskledij in mijn kinderjaren.
Met die corona-proof ellebooggroeten moet dat misschien opnieuw een trend worden, zo van die zachte ellebooglappen die een beetje meeveren…

Soit. Genoeg geleuterd vandaag.

PS: Hieronder nog een geluidsopname die ik gisteren ‘inblikte’, naar aanleiding van het filmpje over de Vink dat ik er bij plaatste.

Kind-ly

Photo by Matt Collamer on Unsplash

“Kunt ge in het vervolg iets zeggen in plaats van drie keer te bellen?”
Ik keek om en zag een jongedame ietwat onzeker op haar GSM turen vooraleer ze de bus verliet langs de draaideuren die de chauffeur speciaal voor haar had geactiveerd.
Ik zag het meisje staan dralen buiten net ter hoogte van mijn stoel, haar GSM intussen aan haar oor…

Was ze kort bij haar bestemming?
Of had ze toch een vierde keer moeten bellen…

De bus was inderdaad op korte tijd een paar keer gestopt.
En de buschauffeur stopt(e) wellicht niet graag als niemand de bus op- of afstapt(e).
Ik had niet gekeken, maar ik onderstel dat het zoiets moet zijn geweest.

Ik had wel met de chauffeur te doen. Je kiest een job omdat klantvriendelijkheid het belangrijkste aanwervingscriterium is, je wil je klanten, ongeacht hun achtergrond, op een veilige en aangename manier van halte tot halte brengen…en je wordt dan ineens door een virus waar je zelf niet voor gekozen hebt afgesneden van je reizigers. Met plastic nog wel.
Dat gaat wellicht al eens op je humeur werken. En dan weet je misschien op de duur niet zo goed meer wat dat inhield, klantvriendelijkheid…ik denk maar wat al typend…

Allemaal Ónderstellingen…

En toch…
Enkele haltes verder stopt de bus opnieuw en ik zie een man die heel netjes gekleed gaat ter hoogte van de deuren bij de chauffeur geduldig staan kijken en wachten. Wachten tot de deuren opengingen, onderstel ik. Ik zat klaar om hem teken te doen dat hij achter me moest opstappen, mocht hij mijn kant uitkijken, maar ik onderstel dat de chauffeur me voor was, aangezien de man zich naar de deuren achter me repte en een plaatsje zocht.

In deze ‘wachttijd’ hadden mijn oren nog de woorden ‘As get nu nog ni wet!‘ opgepikt. Maar die woorden had de brave man niet gehoord, omdat hij nog onderweg was van ‘tegen zijn verwachting in’ naar ‘ah, hier is de opstap. Da´s raar…’
Of zo.

Later zou blijken dat hij wellicht in een andere taal dacht…maar daar kom ik nog.

De bus klotste verder.
Tot ik mijn eigen rit besloot af te ronden door te bellen.
Aan de afstap heb ik heel duidelijk en hartelijk ‘dankjewel’ geponeerd in de richting van de chauffeur. Mij had ze veilig van halte naar halte gebracht. Ik ben haar daar dankbaar voor. En tenslotte, het gedicht van Rilke reed mee met mij…dat van die draken en prinsessen en liefde nodig hebben en zo…

‘Excuse me’, hoorde ik zacht achter me.
Diezelfde man van de ‘wet et nog nu nog ni’ was blijkbaar ook afgestapt en stond wat rond te draaien met een papiertje en zijn GSM in de hand. Zijn vraag leek dringend.
Maar aangeziene ik het station wist zijn heb ik hem snel kunnen helpen.
Hij weg. Ik weg.

Voor de avondrit heb ik opnieuw de bus genomen. En ik voelde hoe mijn mondhoeken krulden telkens ik een autobus vanuit de tegenovergestelde richting zag aankomen en zo nonchalant dat handje van de chauffeurs de lucht in ging, al dan niet vanuit hun openstaande raampje. Een kleine begroeting tussen ‘ons’.

We stopten ook aan een halte die ‘grens’ heette.
Bijzonder vond ik dat.
En de bus durfde er zelfs voorbij…

Ook aan deze chauffeur heb ik hardop ‘dankjewel’ gezegd net voor ik afstapte.
Ik werd een beetje vertwijfeld aangestaard door de andere passagiers die afstapten.
Achter het stuur bleef het stil.

Maar dat begrijp ik wel…na een inspanning eventjes jezelf helemaal afsluiten en denken: dat heb ik mooi gedaan! Verstillen nu.

‘In a world where you can be anything, be kind’
Mijn excuses…ik weet niet echt wie bovenstaande woorden op deze manier samenstelde…
Overal waar ik ermee goochelde, kreeg ik ‘unknown’ als antwoord…

Maar mooi zijn ze wel, toch?!
Want is dat niet het enige dat er aan het eind van de rit echt toe doet?!



Dare to share

Photo by Nastya Maxymova on Unsplash

Zo kan ik even verder surfen op mijn blogbericht van gisteren. Want ja, zonet was er een nieuw verhaal van Mr. Rosenberg dat werd voorgelezen. Ik dacht dat de titel ‘The shape’ was…maar na grondige evaluatie van alles wat gezegd en verzwegen werd, denk ik dat ik die titel verkeerd verstond en dat het ‘Ashamed’ moest zijn.

Schaamte.

Daar heb ik wel een verhaal over. Maar of ik dat hier en nu wil vertellen is een andere kwestie natuurlijk. Ik heb wel aangereikt wat ik op al die jaren waar schaamte my middle name was, heb geleerd.

Eén psychologe sprak het uit een aantal jaren dat ik al rondliep met schaamte.
‘De enige manier om ermee om te gaan is te delen waarover je je schaamt.’

Lap, dacht ik, kon je dat niet wat eerder zeggen…dan had ik er alvast mee kunnen experimenteren.
Het lastige is dat je van je luisteraars niet kan voorspellen hoe ze gaan reageren op je verhaal. Of ze met hun ‘goed’ of ‘slecht’ oordeel je gevoel van schaamte erger gaan maken of niet.
Oh ja, ik had van bij het begin dat ik een verhaal droeg waarop schaamte zat, de intentie het te delen. Ik had er goede redenen voor, die zelfs niet met mezelf te maken hadden.

Maar als je omgeving dan reageert door het verhaal te stilzwijgen, als je het deelt wanneer de emmer overloopt…als andere mensen in je omgeving reageren met ‘als je het deelt dan…‘… dan ga je twijfelen aan je intentie. Dan ga je je afvragen of je de gevolgen wel kan dragen…naast de ziekte en de schaamte en de zorg om je naasten en je werk en …

Want wat is erger, een verhaal stilzwijgen waar schaamte op zit of afgeschreven worden door je (vertrouwde) omgeving?

Wat ik op mijn tocht naar ‘heling’, ik zal het zo maar noemen, al is er wellicht nog wat werk aan de winkel…wat ik op die tocht heb geleerd, is dat het zeer zinvol is je eigen waarden te ontdekken en trachten ernaar te leven.

Als kind groeien we op in een gezins- of familiecontext waar een bepaald waardenpatroon heerst. Vaak met een oordeel over ‘goed’ en ‘fout‘. Pas als je aan die ‘goed’ of ‘fout’ gaat twijfelen en de zaken vanuit een helikopterperspectief bekijkt, zie je dat het eigenlijk om een spectrum draait tussen de extremen goed en fout. Waar de plaats waar je je ‘oordeel’ over de situatie positioneert, bovendien afhankelijk is van de context waarin je je bevindt.

Bij je schoonouders klinkt je verhaal wellicht anders dan in het dokterskabinet.
Dokters horen wellicht verhalen die veel genuanceerder zijn dan de zwart-wit aan de kersttafel.

Je zou voor minder je mond houden…

Alhoewel. Ooit was ik opgenomen in een PAAZ afdeling van een ziekenhuis en met lood in mijn schoenen ging ik naar de verpleegpost om verheldering te vragen.
Een aantal verplegers waren aan het praten in hun ‘visbokaal’ en ik wachtte geduldig tot ze me zagen staan. Tot ze bereid waren te luisteren.
Ik zie nog hoe ze haar hoofd omdraait en ik vraag, me heel kleintjes voelend:
‘Hoe ga je om met schaamte en schuld?’
Ze trok haar schouders op en antwoordde: ‘Tja, lat omlaag.’

Ik begreep er niks van maar keerde terug naar mijn kamer om vanuit mijn eigen logica te achterhalen hoe het één met het ander te maken had.

Ik besef nu dat ze geen goesting had in een vraag van een patiënt. Ze wou wellicht liever ‘kletsen’ met haar collega´s. Nu vind ik haar antwoord ronduit misdadig.
Als je er niets van snapt, zwijg dan alsjeblieft.
Effe kort door de bocht goed inhakken…heerlijk, dit! (= kort intermezzo)

Ik hoop dat je bij het delen van je verhaal, mocht je een verhaal van schaamte dragen en mocht het te zwaar wegen om alleen te dragen, …dat je dan stapje voor stapje, bij mensen die je vertrouwt en dan misschien eens, een tipje van de sluier of iets meer, bij meer en meer mensen…deelt wat zo zwaar weegt…om alleen te dragen.
En ik hoop dat je mag ervaren dat je het waard bent volgens je waarden te leven.

Mensen die een oordeel hebben over jou of over bepaald gedrag van jou, begrijpen wellicht de uitspraak niet:

‘Geen gedrag is vreemd als je de context in rekening brengt.’
Ik wens je veel warms en hartverwarmende reacties op je pad.

PS: doe desnoods de rode regenlaarzen aan die je partner voor je kocht omdat hij of zij weet dat je je daarmee zekerder voelt…
Het mogen imaginaire laarzen zijn…
Zolang ze maar goed zitten en je er doen staan…

Imaginaire x

Tijd- en grenzeloos zorgzaam zijn

Gevonden op historiek.net

“He who doth with the greatest exactness imaginable, weigh every individual thing that shall or hath hapned to his Patient, and may be known from the Observations of his own, or of others, and who afterwards compareth all these with one another, and puts them in an opposite view to such Things as happen in a healthy State; and lastly, from all this with the nicest and severest bridle upon his reasoning faculty riseth to the knowledge of the very first Cause of the Disease, and of the Remedies fit to remove them; He, and only He deserveth the Name of a true Physician. ”

“The great seal of truth is simplicity.”

Meer historische info:
https://historiek.net/herman-boerhaave-arts-botanicus-biografie/126895/

PS: “The surest method against scandal is to live it down by perseverance in well-doing, and by prayer to God that He would cure the distempered mind of those who traduce and injure us.”

Non-binair

Photo by Sharon McCutcheon on Unsplash

‘Ik heb een nieuwe term geleerd’, zei hij. ‘In een artikel in de krant die ik onlangs las.’
‘Non-binair. Daar kan je over schrijven in je blog vanavond.’

Dat ik dan eerst wat opzoekwerk zou moeten doen. Vaneigens!
Ik had de term zelf nog nooit gehoord…

De eerste site die ik vond leek me meteen een plek waar de informatie me gedegen leek. Ik ga de link dan ook meegeven. Er staan ook een aantal bronnen bij.

Want wie ben ik om over een thema te schrijven waar ik niets van afweet?
Ik kan ten hoogste een poging doen me in te beelden hoe het is een stempel te krijgen waar je je niet ‘thuis’ bij voelt. Maar heb je dat niet altijd van zodra bepaalde eigenschappen een ‘naam’ krijgen?

Wil ik als ‘vrouw’ aangeduid worden als ik in een mannenwereld een job ambieer waar quota gelden bij de aanwerving? Of wil ik op basis van mijn expertise aangeduid en aangeworven worden?

Wil jij op je kenmerk als ‘man’ aangesproken worden als je afspreekt met een ‘single vrouw’, of verkies je het genderneutrale begrip vriend(schap)?

Mogen ze je ‘psychiatrisch patiënt’ noemen als je psychofarmaca neemt, zelfs al heb je epilepsie? Of is die term enkel dan van toepassing als je geen andere rollen meer opneemt? Je in die term wentelt als het ware?

Ik weet het ook allemaal niet.
Het is niet zwart-wit. Eén-nul. Groen-Rood.
Het is regenboog. Yin-Yang. Contextgebonden meestal.

Mij persoonlijk kunnen stempels niet zo raken. Alhoewel ik de term ‘ervaringsdeskundige’ liever niet hoor. Vind dat woord niet alleen taalkundig een gedrocht, het is ook nietszeggend.

‘Hersteldeskundige’ vind ik interessanter. Omdat herstel net als milieu een dynamisch gegeven is. Als je deskundig bent in een dynamisch gegeven, betekent dat dat je procesmatig kan ingrijpen volgens de noden van de situatie.

Dat je grenzen kan stellen als mensen je grenzen steeds neigen te overschrijden. Dat je de taal hanteert van de mensen die je iets duidelijk wil maken. Dat je van mens tot mens het gesprek aangaat en wederzijdse groei als norm hanteert.

Maar wijk ik af? Geen kat hier die me hier en nu op de vingers tikt. Dan doen we maar wat we denken dat goed is…

Daarstraks dacht ik nog dat ‘non-binair’ gewoon ‘decimaal’ was.
Intussen weet ik al wat beter.

Dus merci daar, voor de tip.
Dank voor het lezen.
En nu oogjes toe en snaveltjes dicht.

🙂

Normeren

Photo by Lauren Fleischmann on Unsplash

Ze was op haar honger blijven zitten. Ze had gehoopt dat de schrijfster die werd geïnterviewd haar duidelijkheid zou kunnen geven over hoe ze zich moest verhouden in het debat, maar dat was niet gelukt.

Een andere vrouw gaf aan dat ze het heel erg zou vinden als haar dochter zou thuiskomen met de boodschap dat ze voortaan een hoofddoek zou dragen. Ik vroeg haar wat ze ervan zou vinden als dezelfde dochter zou thuiskomen en vanaf nu nog enkele heel korte rokjes zou dragen en diepe halsuitsnijdingen.
‘Ja, dat zou ik nog erger vinden’, gaf ze toe.

Ik begrijp het debat niet goed.

Mensen maken keuzes die gebaseerd zijn op waarden. Als iemand geborgenheid een belangrijke waarde vindt, zal die keuzes maken die deze geborgenheid benadrukken. Als iemand vrijheid hoog in het vaandel draagt, zal die keuzes maken die die vrijheid benadrukken. Maar of het één beter is dan het andere en of je mensen moet bijsturen, moet normeren omdat ze keuzes maken die gebaseerd zijn op de waarden die ze willen leven, dat begrijp ik niet goed.

Als ik zie hoe handig het is om een smartphone onder die hoofddoek te stoppen en zo handenvrij te bellen dan denk ik: ‘knap gevonden’.
Wie bepaalt of je een keuze moet maken tussen geborgenheid en vrijheid?
Wie mag bepalen waar de norm ligt?
Toch als het over dit thema gaat.

Als kind kreeg ik van mijn moeder geen jeansvest omdat iedereen dat droeg. Zij wilde dat ik kledij droeg die nergens anders te vinden was. Geen confectie. Liefst nog kleding die zij zelf had gemaakt. Die ik eventueel had mogen uitkiezen in modeboeken. Met zo´n mouwen en deze kraag en daar een knoop, mama.
Maar ik wilde als beginnende puber alleen bij mijn leeftijdsgenoten horen, me geborgen weten bij hen, met een jeansvest die ook zij droegen.
Ik mocht niet. ‘Als je het twee jaar geleden had gevraagd, had je wel gemogen’, zei ze nog. ‘Toen stond het in de modeboeken.’

Ik heb er geen trauma aan over gehouden. Mogelijk had inmenging van anderen verandering kunnen brengen in de overtuiging van mijn moeder. Maar is dat aangewezen?

Vandaag betalen pubers meer geld voor een jeansbroek waar gaten in zitten dan voor een jeansbroek die nog intact is. Al is in de ogen van die pubers hun exemplaar ook intact omdat het zo gekozen is. Misschien in twee verschillende maten besteld, met ietwat verschillende gaten, waarbij je zelfs beide exemplaren gratis mag terugsturen als er een gat in is. Wie weet.

Ooit ben ik op het werk op het matje geroepen omdat ik een pull aanhad waar gaten in zaten. Het model was zo, het patroon was erin gebreid en het kwam dus niet door de mot die mijn kast had geteisterd. Ik had er overigens wel een souspull onder aan in dezelfde tint.
Ik werd vriendelijk verzocht die pull niet meer te dragen.

Dat ik me dat tot op de dag van vandaag herinner wil wel wat zeggen denk ik.
Die pull weerspiegelde voor mij iets speciaals, iets creatiefs en uniek.
Mijn keuzevrijheid.
Om één te zijn met mijn collega’s moest ik dat unieke opzij zetten.
Mocht ik niet een beetje speciaal zijn.

Intussen werk ik daar al lang niet meer, om andere redenen die ook met waarden te maken hebben. Maar andere…