Vaarwel professor

Photo by Tra Nguyen on Unsplash

Het voelt een beetje dubbel om dit te schrijven.
Of beter, om dit NU te schrijven.
Maar ik zet door en zal ermee handelen op een manier die ik gepast vind, zodra dat ik het helemaal doorvoel.

Vandaag kreeg ik een berichtje van een vriendin. Haar broer, een partner, ouder en professor waar ik nog les van heb gekregen, is gisterenavond overleden.
Een plots overlijden, onaangekondigd.
Op leeftijd maar toch te jong om te sterven.

Vorige week was ik er nog over aan het denken eens op de dienst waar hij gisteren nog werkte langs te gaan. Omdat ik daar ook ooit zelf gewerkt heb in een eerste job, zowel mijn vriendin als haar broer er werken en de andere oude bekenden ook nog eens ontmoeten me wel fijn leek.
Dit idee was vrij hardnekkig aanwezig maar nog net niet in mijn agenda ingepland.
Misschien doe ik het nu alsnog één van de komende weken…

Hem zal ik nu niet meer kunnen spreken hoewel ik naar een kleine uitwisseling zoals de laatste keer had uitgekeken. Het academiejaar start nu zonder hem. Vreemd is dat.

Ik vond hem altijd grappig en vinnig. Hoe hij daar beneden in het leslokaal aan het bord stond met zijn niet zo grote gestalte. Hoe ik op een gegeven moment mijn vrouwelijke studiegenoten naast me er op attent maakte dat hij zo´n klein ‘poepke’ had en ik, toen hij zich prompt omdraaide en me recht aankeek, het akelige gevoel kreeg dat hij dat gehoord had. Focus terug op mijn blad. Verder schrijven en dimmen. Blozende wangen.

Hij was het ook die kennis uit me trok toen ik gegeneerd, met een rood en schilferig aangezicht van de stress in mijn laatste jaar het antwoord op zijn vraag poogde te formuleren op het bord en in woord. Het was op het krijtbord in het koffiekot. Met af en toe een medewerker die zijn bakje koffie kwam bijtanken, gelukkig geen praatje maakte. Toen nog niet…

Toen ik een dik jaar nadien op de dienst werkte en al enkele maanden zwanger was van mijn oudste dochter, kwam ik na de lunch verontwaardigd terug in datzelfde ‘koffiekot’ met de boodschap dat iemand me had gezegd dat ik een ‘kwakkelgangetje’ had. Ik zocht naar steun in mijn verontwaardiging. Onze professor zei boudweg ‘dat heb je altijd al gehad.’ Met een monkellachje.

Hij was een mooi mens. Mens onder de mensen, eenvoudig complex en rechtvaardig. Het was op zijn onderzoeksdomein dat ik mijn thesis maakte, met als voorbereidende opdracht een naslagwerk doornemen dat hij en enkele collega´s hadden geschreven.

Jaren later heb ik vaak nog gedroomd dat ik geen thesis vond die eenvoudig genoeg was voor me. Dan werd ik angstig wakker en daalde langzaam het besef in dat ik al een tijdje was afgestudeerd. Ook al had ik mogelijk nog steeds mijn thesis niet afgerond mocht mijn broer mij geen ‘sjot onder mijn kont’ zijn komen geven toen ik lag weg te kwijnen in de zetel bij mijn ouders thuis. Die zomer. Mijn ouders op reis en ik met het gevoel dat ik helemaal ‘niet voldoende was’ om dit diploma te halen.

Als mens heb je op je pad mensen nodig die (onvoorwaardelijk) in jou geloven en die geen moeite getroosten om je in je kracht te zetten.
Een leerkracht of professor kan die rol opnemen.

Aan R. houd ik bijzondere herinneringen over.
Ik wens zijn zus en familie veel sterkte toe.
Dat de mooie herinneringen zijn energie in leven mogen houden.  

Lieve groet aan hen, van mij.

Zelf gemaakt

Photo by Randi Wilson on Unsplash

We hadden het erover of we vroeger iets tekortkwamen. Zij heeft vier zussen en alleen de papa werkte. Ze had nooit het gevoel gehad dat ze iets tekortkwam, ook al kenden ze geen excessen.

‘We gingen wel geen kleding kopen in die chique winkel waar jullie gingen.’ Ik was het al vergeten. Maar inderdaad, voor onze kleding weigerde mijn ma confectie. Omdat we dan hetzelfde droegen als zoveel andere mensen. We gingen voor mijn kleding en die van mijn broer vaak kijken in een kinderkledingwinkel in een galerij die er nu niet meer is. Een enkele keer vond mijn ma de kleding toch te duur. Zoals toen ik een pull had gezien die ik mooi vond. We zijn ervoor in de winkel geweest, hebben onthouden hoe het in elkaar zat, groen vooraan, donkerpaars op de rug en blauwe strepen op de mouwen. Alleszins heb ik op elfjarige leeftijd die pull zelf gebreid. Mijn ma heeft hem in elkaar gezet en ik heb er toch enkele jaren van kunnen genieten. Met trots, toch wel.

Toen we jonger waren kwam het geregeld voor dat ik thuiskwam van school en er een nieuw kledingstuk voor me klaar hing, Aan een kapstok die over de staanlamp in de living gehaakt was. Goed in het zicht zodra ik de living binnenkwam.
Een rokje, een jurk, een blouse…fijn was dat wel.

Nu vind ik het jammer dat mijn ma die kennis niet heeft doorgegeven aan mij. Ik heb ooit een tweedehands naaimachine gekocht, maar ik gebruik haar het meest voor het verkorten van broeken. Toen ik zwanger was heb ik ook een aantal babyspullen gemaakt voor elke dochter die op komst was. Met goede raad her en der van mijn ma. Zo had het kruippakje dat ik voor mijn oudste maakte een print. Die moest van mijn ma uitkomen aan de naden. Dat hoeft voor mij eigenlijk allemaal niet. Een slaapzak heb ik ook gestikt en een mini-vestje met knoopjes heb ik gebreid.

Fijn vond ik dat, om met mijn gedachten bij dat kleine groeiende ukje in mijn buik alvast iets persoonlijks te creëren.
Vandaag zijn het mijn dochters die hun ‘bonneke’ raadplegen om kragen te veranderen, mouwen om te vormen en een eigen ontwerp een realistische uitwerking te geven.
Co-creaties over generatiegrenzen heen.

Ik vind het best fijn dat mijn dochters die kriebel voor naaiwerkjes hebben overgeërfd. Zoals ook het koken niet meer systematisch van generatie op generatie wordt doorgegeven, geldt dat over het algemeen ook voor handwerk heb ik de indruk. Een uitdovende ambacht, of herleeft ze dezer dagen??

Ooit was ik jaloers op een klasgenootje die heel mooi kon breien. Dat moet in het vierde studiejaar of zo geweest zijn. Zij had het van haar oma geleerd. Ik had de truuk nog niet ontdekt om de draad langs mijn pink te laten glijden bij het breien, waardoor mijn breiwerkje heel erg rommelig uitdraaide. Dan weer strak, dan weer los. Terwijl dat van mijn klasgenootje mooi egaal gebreid was. Maar de jaloezie heeft me doen bijleren en ze is een goede vriendin nu dus…iedereen content.

Ik heb trouwens nog altijd de breitas die ik in het eerste studiejaar mee naar school nam. Er zitten iets meer breipriemen in dan toen…

Vandaag kan je van handwerk veel terugvinden op het Internet. Zo heb ik een jongste dochter die vooraf altijd eerst het Internet raadpleegt alvorens aan de slag te gaan, terwijl mijn oudste dochter gewoon begint en aan alle knoppen van de naaimachine begint te draaien tot ze heeft wat ze wil hebben. Of tot er hulp ingeroepen moet worden omdat de hele boel ontregeld is…

Laatst wilde ik een broek verkorten en vond de steek wel erg rommelig.
Een hendeltje waar ik nooit eerder op gelet had stond in een andere stand. Tja…
Vloeken doe ik daarop niet meer.

Soms leidt de eigenwijze manier van werken van mijn oudste me naar een nieuwe manier van kijken. Dan staan er spullen in de kast op een andere manier en denk ik ‘ja inderdaad, zo kan het ook.
Morgen wordt ze 25 jaar. De helft van mijn leeftijd…

Tijd om onze talenten in kaart te brengen…en te blijven leren van elkaar.

Ver-ant-woord

Photo by Mike Perrotta on Unsplash

Ze stonden aan de overkant van de straat. Klaprozen en wat leek op een grotere vorm van madeliefjes. Even overwoog ik om een foto te nemen met mijn smartphone, maar ik besloot het zo te laten. Het rood opgelichte fietsje aan mijn oversteekplaats stond immers al een tijdje alert zodat het prutsen met smartphone wellicht zou interveniëren met het groene fietsertje dat weldra kwam aandraven. De afstand was wellicht ook te groot om een degelijke foto te krijgen.

Ik kon natuurlijk ook het mooie bloemenveldje van naderbij gaan bekijken, van mijn route afwijken. Maar heb ook dat niet gedaan. De verwondering bleef in het moment. Zoals de meeste ervaringen, die her of der wel een opkikker krijgen via een associatie op een onbewaakt moment. Als vanuit het niets komt een beeld weer voor het geestesoog verschijnen. Eventueel vergezeld van een emotie.

Daarstraks heb ik wel een foto genomen van kleine paarse bloemetjes die zich uit een muur leken te murwen. Mijn zus vertelde me dat er een app bestaat die je zegt over welk bloemetje het gaat als je er de foto aan geeft. Ik weet niet hoe die app heet. En ik zoek het ook niet op. Niet alles hoeft een naam. Het bloemetje was niet symmetrisch. Het leek op een bepaalde manier op een konijntje met dikke wangen met de twee oortjes ferm de lucht in. Misschien heet het wel ‘konijnenkruid’.

Hoe zou het zijn om dingen opnieuw te gaan benoemen, los van de naam die ze al hebben? Eventueel om als pseudoniem te gebruiken tijdens het gevecht om weer de overhand te krijgen als natuur…Rainbow-Warrior-kruid, ik zeg maar wat.

Vergeet-me-nietjes. Wie heeft ooit dat bloemetje zo genoemd? Omdat ze in de schaduw te vinden/vergeten zijn? Laatst ging ik wandelen met een vriend en toen ik hem wees op vergeet-me-nietjes trok hij er prompt eentje uit en gaf het me. Ik pruttelde tegen. Dat is niet de bedoeling natuurlijk. Dat die bloempjes maar mooi blijven staan waar ze staan. Ze zijn nog zo schoon.
Van mij mogen ze ‘zie-me-hier-staantjes’ heten. Of ‘wij-wagen-ons-hier-stilletjes’.

Welaan, ziedaar komt ineens een associatie op mijn pad. Hoe ik als kind met mijn grootouders naar hun caravan in de Ardennen trok en samen met mijn grootmoeder in het bos op zoek ging naar meiklokjes. Ze bracht er ook geregeld mee na hun weekendjes Ardennen. Ze geuren zo lekker, …
Een bosje op tafel. En dan van de meiklokjes associeer ik naar de meikevers die langs het terras zoemden van het appartement waar ik als kind woonde. Ik zie ze niet meer.

Mijn pa had trouwens zowel als kind als op oudere leeftijd de gewoonte om insecten en kevers die hij ving in luciferdoosjes te stoppen. Waar mijn grootmoeder dan geregeld bijna een aanval kreeg als ze een lucifer wou nemen. Ik heb ooit een spreekbeurt gemaakt over spinnen. En mijn pa had een dikke huisspin voor me gevangen als didactisch materiaal. Ze zat in een plastic doosje, goed vastgeplakt om geen ongelukken te krijgen in mijn boekentas.

Ik ben na wat uitgestelde lessen aan mijn leerkracht Nederlands gaan vragen of ik ‘alsjeblieft nu’ mijn spreekbeurt mocht houden, ‘anders is mijn spin dood.’ Het mocht. Onverantwoord wat het beestje betreft, achteraf beschouwd. Ik heb wel goed gescoord. Zowel bij de medeleerlingen als in punten.

Wat is ver-ant-woord?

Toiletbezoek

Photo by Marc Schaefer on Unsplash
Petrarca poem – voice: Fiducia

Tja, wellicht een beetje een vreemd onderwerp, maar het wil zich laten schrijven vandaag.

Een vriendin van me laat haar badkamer renoveren. En ze had de ervaring dat op een verhoogd toilet haar rugpijn minder opspeelt. Dus zocht ze ook naar een verhoogd toilet en laat dat installeren ter vervanging van het oude exemplaar. Met het oog op haar nog-oudere-dag dan vandaag wellicht.

Ik heb ook recent op een verhoogd toilet ervaring opgedaan. Beetje grappige manier om te zeggen dat als ik naar het toilet moest, ik met mijn voeten een 10-tal centimeter van de grond op een houten blok rustte. Ik had dan altijd de neiging om ‘tijdens het geduldig wachten’ mijn benen te inspecteren op wildgroei. Of mijn tenen. Als ik dan sokken aan had was het een hele evenwichtsoefening om die uit te trekken en te kijken of mijn teennagels geen knipbeurt behoefden. Dat hoefde ik uiteraard niet elke dag te doen, wildgroei gaat nu ook weer niet zo snel.

Meer nog, ik heb de indruk dat met de jaren de wildgroei wat minder snel verloopt. Al heb ik ook al opgemerkt dat af en toe, schijnbaar willekeurig, een haar wil groeien op plekken van waar je zou zeggen, ‘zeg, wat komt gij hier doen?’
Dan gaat de pincet in de aanslag en kan de haarpijl-aanval beginnen.

Niet op de WC uitdehaard…Daar ben ik al blij als ik toiletpapier binnen handbereik heb. Blijkbaar slaag ik er nooit in dat even op voorhand te checken. Mmmh…een gewoonte die verandering behoeft.

Op hetzelfde toilet als waar ik mijn voeten op een verhoogje moest zetten, was ook een raam aan mijn rechterkant. Ik liet het badstoffen overgordijn meestal dicht als ik naar het toilet moest, maar af en toe piepte ik toch even door de, hoe noem je die, ondergordijnen.
Als ik beweging hoorde op straat of zo. Heel stiekem allemaal. Een klein beetje piepen.

Ik herinner me ergens in mijn twintiger jaren dat er bij de Humo een plastuit zat. Moet ter aanloop naar het festival Torhout-Werchter geweest zijn. Nu kan ik me met jaren vergissen omdat ik wat tijd betreft helemaal geen betrouwenswaardig bewustzijn heb. Vergeef me…
Alleszins, ik heb die plastuit in beslag genomen binnen ons gezin en heb ze uitgeprobeerd. En wonderwel, dat was mega-handig. Wel maar één keer te gebruiken omdat dat kartonnetje best een beetje wak werd.

Ik herinner me ook als kind uitgeprobeerd te hebben hoe het is om als man te plassen. Ik had al snel door dat het niet haalbaar was met mijn te korte beentjes vóór het toilet te gaan staan, omdat dan alles op de grond zou lopen, maar ik stelde me in spreidstand boven het toilet. Ook daar kwamen mijn voeten niet op de grond en het leek ook nodig dat ik me aan de bril vasthield, want heel standvastig was het allemaal niet.

Dat leek me niet voor verder onderzoek geschikt. Ook niet zo makkelijk om weer voeten aan grond te krijgen na de boodschap van algemeen nut.

Mijn ouders hebben ook eens in het kleine toilet op het appartement uit mijn kindertijd een poster met een-aap-op-een-toilet aan de achtermuur gehangen.
Ik herinner me nog hoe mijn nicht, die enkele jaren jonger was dan ik, niet alleen op het toilet durfde door die poster. Dus zat ze een beetje bibberig, de beentjes bungelend boven de grond en de handjes naast zich aan de bril vasthoudend, voorovergebogen en met een bedremmeld gezichtje ‘haar toilet-tijd’ uit te zitten.

Trouwens, ik heb eens ergens gelezen (en als ik me goed herinner was het een uroloog die het geschreven had), dat de voeten best op de grond steunen bij een toiletbezoek om op een ontspannen manier de blaas volledig leeg te maken. Dus kindjes: zo lang mogelijk op het potje of een trapje vóór de WC.
Over de plastuit moet ik dan nog eens nadenken.
Over de menstruatiecup heb ik overigens ook wat te vertellen…Maar dat zal ik voor een andere keer houden.

Wat de relatie is tussen het gedicht van Petrarca in het audiobestand en mijn toilet-relaas hier?
Ongetwijfeld!
(Allez, ik toch!)

Een start

Photo by Isaac Quesada on Unsplash

Vandaag heb ik een nieuwe handtekening onder mijn mail geprogrammeerd.
En ik vraag me af hoe mijn energiehuishouding zou reageren als ik een mail met deze handtekening in mijn eigen postbus vond.
Het woord “onberoerd” is hier niet aan de orde.
Ik denk wel dat het warmpjes mag binnenkomen…maar ik kan me vergissen.

In mijn normale doen zou ik hier nu neerpennen hoe die handtekening klinkt.
Maar ik ben niet in mijn normale doen. Niet dezer dagen.
Op verkenning ben ik. Behoorlijk overspoeld bij momenten. Maar dankbaar voor de fundering die ik telkens weer weet te vinden. En de tools, waarmee ik aan de slag mag.

Inneringen ooit gedrukt in mijn be-levingswereld poppen op in vragende vorm.
Waar de vragen bleven van anderen, die ik wel aan mezelf stelde, maar te jong om ernstig te nemen.
Hoe mijn, ons, …
Hoe aanvoelen opzij geduwd werd, omdat wijsheid ontbrak om er op een gezonde manier mee om te gaan.

Ik laat de energie hier even hangen.
Maar ik beloof je ze weer in beweging te zetten.

Omdat ik intussen de tools heb ontdekt om levensenergie te doen vloeien.
Hoe vast ze ook zit. Niet alles ineens, neen, natuurlijk niet…maar een knoop met een keer.
Stormachtig na het loswrikken, gevolgd door uitdeinen en in vertrouwen overgaan tot verder kabbelen.
Door in eerste instantie die knoop niet te negeren. Door er aandacht aan te geven op een liefdevolle en zorgzame manier. Als dat al niet hetzelfde is…
Op een koesterende manier misschien, op een manier zoals je een pasgeboren baby in de handen neemt, voorzichtig omwille van de broosheid, nieuwsgierig naar heel het potentieel aan levenservaringen dat schuilgaat achter die gesloten oogjes en met je handen in een energie-kommetje waarin dat kleine mensje zich geborgen weet.
In al haar onwetendheid van wat er in haar buitenwereld wacht.

Nog één kleine stap ben ik af van het huilen.
Ik zie wel wat er gebeurt.
Ik zal er hier eerlijk over zijn.
Beloofd.

Hoe kan je vandaag veiligheid beloven?
Neen, niet dus. Veiligheid is een illusie.
Maar wat wel van waarde is: hoe kan je vandaag mensen een veilig gevoel garanderen, een plek om te ankeren?
Dat laatste ligt niet buiten hen/ons. Dat moeten ze/we vanbinnen ontdekken.
Het helpt als je instrumenten ter beschikking hebt om dat veiligheidsgevoel grond te geven.
Het helpt niet als mensen in je omgeving je wijsmaken dat je angst ongegrond is, nergens op slaat.
Het helpt als je ondanks alles gelooft in jezelf en je potentieel.

Ze zijn intussen gearriveerd, de tranen…

Het enige dat ik nu nog wil neerpennen is een gedicht van me dat ik ooit als re-actie op een oproep schreef. Het enige gedicht dat ooit in een boekje verscheen, zover ik er zicht op heb toch.

Verbeeld je een foto.
Een strand. Op de achtergrond de zee die haar grenzen beroert met wat schuim.
In een parallel dichterbij, een streepje achtergebleven zout water. Het moet eb zijn.
Een vrouw met een witte korte jurk ligt op de voorgrond, de benen geplooid naar de camera toe.
Benen in lichte nylons gehuld, huidskleur.
Het hoofd buiten beeld. De rechterhand zachtjes over haar buik gevleid.

Mijn rechterhand schreef toen:

en hier vlei ik me neer
gehuld in witte woorden
met niet meer
dan zee en zand

niet geheel in kaart
wel in lijn
koester ik
vertrouwen

Fiducia

Ze koestert ‘haar’ vertrouwen…
Ik besluit haar te volgen.

Ik ben er nog.
En heb een nieuwe handtekening aan mijn mail.

Hic et nunc

Photo by Henley Design Studio on Unsplash

Verdorie toch, wat ben ik blijkbaar een sloddervos geworden. Dan schrijf ik een thema op vanochtend…ergens…een thema waar ik een blogbericht aan wou wijden vanavond. En dan wil ik net beginnen schrijven en heb ik intussen geen idee meer waar ik het papiertje heb gelegd. Of op welk blad, dat hoogstwaarschijnlijk over iets anders ging, ik dat ene woord er ergens tussen heb gekribbeld.
Of heb ik dat allemaal toch alleen maar gedacht?

Ach ja, zo gaat het leven soms.

Moeten jullie, lezers die er al dan niet zijn, weer genoegen nemen met kribbels en krabbels die ‘hic et nunc‘ vanuit de binaire ruimte lettergewijs tevoorschijn vloeien bij ons Fiducia.
Mmmh…ik zal die uitdrukking ‘hic et nunc’ voor de zekerheid maar even opzoeken ergens in een betrouwbare bron, alvorens ik jullie, of mezelf, met nonsens overlaad.
Wie je ook bent, daar…
Houd je Van ons Ens?

Enfin, ik merk dat mijn mondhoeken krullen bij zoveel opgezochte onwetendheid.

Hic et nunc‘ dus.
Hilarisch. Bots ik op het rijmwoordenboek van Van Dale en blijkt dat een woord dat goed rijmt op “hic et nunc“, “BOENK” is.

Onmeetbaar, zoveel taalvirtuositeit.
Als jij dus één van die mensen bent die graag gedichten schrijft die rijmen, die ook een beetje intelligent ogen omdat er Latijnse uitdrukkingen in worden gebruikt, dan kan je bij deze aan de slag met ‘Hic et Nunc‘ en ‘Boenk‘.

Dat dit nu bij mij een lachkronkel geeft tijdens het schrijven, zal ik u voor de volledigheid maar niet vertellen.
Al een chance dat ik dat woord niet heb gevonden op dat papiertje waar mijn geheugen moeilijk over deed. Welke draai zou deze woordenkronkel dan hebben genomen, toch?!

als ik hic et nunc niets vind
dan zoek ik webgewijs
waar elke uk zo´n taart verslindt
bedenk ik “Boenk”
we hebben prijs!

Dankjewel om vol te houden 🙂

Zoenken

Photo by AndriyKo Podilnyk on Unsplash

Het was een foutje. Ik schreef ‘zoenken’ in plaats van ‘zoeken’. Maar het heeft wel iets dus laat ik het staan.

Soms loop ik mijn bril te zoeken terwijl hij op mijn neus staat. Vreemd vind ik dat. Dan ben ik zo blij wanneer ik besef dat ik hem op mijn neus heb dat ik hem wel een zoen kan geven. Vandaar. Krijgt die lapsus toch nog een logische uitleg.

Misschien kan verstoppertje zo een nieuwe naam krijgen.
Zoenken. Zoeken, vinden en zoenen. En desnoods daarna heel hard weglopen.
Neen, geen spel om dezer dagen te spelen…

Laat het ons dan toch maar bij zoeken houden. Waarbij de één iets weglegt dat een ander dan moet zoeken. En dan ‘warm’ of ‘koud’ als tip naargelang of de zoeker de juiste, respectievelijk verkeerde richting uitgaat.

Vreemd toch hoe die hersenen werken. Denk ik, zo een nieuwtje als het niet vinden van een bril kan geen blogbericht vullen en dan dienen zich ineens een aantal associaties aan vanuit een ver verleden.

En nu gaat mijn brein naar dat spel waar je de titel moet raden van een boek, film, toneelstuk of whatever. Zonder dat de ‘uitbeelder’ mag spreken.
En dan beeld je een titel van een boek uit als ‘nieuwe geborgenheid’ en weet geen kat het te raden de dag van vandaag…
Ook het jaartal waarop het in het Nederlands verscheen ‘1958’ maakt het dan wellicht niet makkelijker. Enfin.

Het is overigens voor mij geen evidentie om dat boek door te ploegen. Ik heb er mijn bril voor nodig en de ellenlange zinnen, de filosofische taal ook, maken het er niet makkelijker op. Maar ik ploeg er door. Ik zal het temmen. Ik heb mezelf een deadline gesteld om het uit te hebben.

Kortverhalen kunnen me als afwisseling ook zeer bekoren. Zeker die van Toon Tellegen. Ik ga er seffens nog eentje consumeren. Heb er nu toch de juiste bril voor op mijn neus. Dat scheelt. Anders is het maar nekpijn krijgen van me zo dichtbij scherm of boek te hangen.

Misschien, om het spel af te ronden van het zoeken naar spullen en warm en koud enzo, kan de verstopper een virtuele zoen bedenken om de vinder te feliciteren.
Een zoenken. Een zoenkin.
Al kan die laatste in beweging ook iets arrogants hebben.
Neen, dat kan niet de bedoeling zijn, Fiducia.
Laat het ons maar beleefd houden en vooral de afspraken respecteren.

Ik zag heel wat ouders met kinderen op wandel vandaag. Het weer is er al wel een paar dagen ideaal voor. En dan in grote bogen om andere wandelaars heen bewegen.
Een kennis die ik vanop afstand gedag zei, wenste me succes. Ik begreep niet goed waarom maar zal het interpreteren als succes in de omgang met het coronavirus.

Mijn verplichte quarantaine zit er bijna op, maar veel verschil gaat er niet zijn daarna, denk ik.
We shall see, said the woman, and started looking for her glasses again 😉

Present

Photo by Sticker Mule on Unsplash

Vroeger was het de gewoonte in de familie dat er van reizen voor de dichte familie cadeaus werden meegebracht uit de bezochte landen.
Zo herinner ik me dat ik van mijn tante een hangertje kreeg in de vorm van een schildpad uit jade.
Van mijn grootouders kreeg ik ooit een kleine horloge met knalgroene wijzerplaat en een andere keer ook een juwelenkistje dat muziek maakte. Met een Ardeens dorpje op het deksel.

Mij lijkt het afschuwelijk die intentie mee te nemen op reis.
‘Wat moeten we meebrengen voor die, en die, en die…’
Dat is al erger dan je afvragen wat je op het kaartje gaat zetten dat je vanuit de bestemming stuurt.

Ik heb ooit vanuit Portugal kaartjes gestuurd waarop ik de postzegel met choco had vastgekleefd. En dan maar hopen dat hij bleef plakken en de smurrie niet te veel uitdeinde. Maar dat is even een zijsprong van wat ik wilde vertellen. Ik wist niet dat deze herinnering zich bij me zou aandienen. Excuses daarvoor.

Het kopen van cadeaus voor de thuisblijvers is bijna net als met je smartphone filmen wat je aan het doen bent. Dan ben je niet dáár met je aandacht. Dan ben je thuis en bezig het verhaal te vormen dat je wil vertellen over wat je niet voluit in het hier en nu hebt beleefd.

Leven in het hier en nu.
Eventueel wat later opschrijven hoe je het hebt ervaren, om het te inneren.
Dat is toch zoveel krachtiger dan niet be-levend leven.

Mijn pa verjaart binnenkort. En ook ik vraag me af: waarmee kan ik die man blij maken? Hij komt niets tekort. Vult zijn tijd in hoe hij wil. Is tevreden met hoe zijn leven loopt heb ik de indruk.
Ik ga het aan mijn onderbewustzijn overlaten. Haar, als het een zij is, bevragen wat ik het beste doe en zien wat er zich aandient. Al denk ik dat het mooiste geschenk dat ik kan geven eentje is waar ik in persona tot daar ga en mijn tijd en aanwezigheid schenk aan het moment.
Misschien met een creatieve toets erbij. Afwachten wat mijn inspiratie me influistert.

Ooit kreeg ik voor mijn verjaardag van een Tsjechische jongen een pop. Een heel stijve pop met lokale klederdracht. Ik vond dat een beetje een vreemd cadeau voor mijn elfde verjaardag maar de jongen was nogal stapel op me al was ik stapel op een andere jongen maar hij niet op mij. Tja, zo gaat dat soms.

Dus heb ik waarschijnlijk wat koel gedaan over de pop. Heb ze wel mee naar huis genomen en ze staat nog steeds bij mijn ouders in de vitrinekast.
En het was niet eens hun cadeau. Zo zie je maar.

Mijn moeder kreeg ook ooit van een Tsjechische jongen een pontekoek in de vorm van een hartje thuisgestuurd. Hij was nogal hard en het was niet helemaal duidelijk of hij aan de muur moest gehangen worden of opgegeten worden.
Mijn grootmoeder koos voor het laatste.
En zo werden we weer een familie-anekdote rijker.

Haar gebit heeft dit trouwens overleefd…

De juiste vraag

Photo by NASA on Unsplash

‘Ik wou je iets vertellen en dacht, ik wacht tot ze komt. En nu weet ik het niet meer.’
Zo sprak mijn vriendin enkele dagen geleden.

‘Dan zal ik je een goeie truuk leren’, zei ik.

‘Stel aan je onderbewuste de vraag wat je me wilde vertellen. Wat je nu niet meer weet was je ooit wel bewust en met de juiste vraag komt het wel weer boven drijven. Zonder te forceren. Dus stel jezelf de vraag wat je me wilde vertellen met alle details die je er nog over weet. En laat het dan los.’
Ze reageerde wat onwennig maar ik bleef aandringen. Dus deed ze wat ik vroeg.
‘En laat nu los’, commandeerde ik. ‘Probeer niet te zoeken of je een antwoord vindt. Het dient zich wel aan.’

We gingen verder met het gesprek en even later zei ze ‘ik weet het weer.’
Dus heb ik haar meteen laten vertellen zodat het verhaal niet opnieuw naar de achtergrond zou verdwijnen.

Zelf heb ik ook regelmatig voor dat gedachten naar een minder bewuste plek verdwijnen. Waar ik niet meer aankan. Soms zelfs in die mate dat ik opsta van mijn stoel om iets te halen en een paar meter verder niet meer weet waarom ik van mijn stoel opstond.

Mij helpt deze ‘truuk’ erg goed.
Kunst is wel om niet krampachtig op zoek te gaan of een antwoord zich aandient nadat je de vraag hebt geformuleerd. Breintijd moet ruimte krijgen.

‘Introverte schrijfster van het boek Quiet die ook een veelbekeken TED talk gaf?‘ (daarnet nog) Check!
‘Verhaal dat mijn vriendin me vertelde?’ Check. Zelfs zonder truuk, omdat het zo’n straf verhaal was.
‘Waar stopte ik mijn boodschappenlijstje net voor ik de deur uitging?’ Check.

Veel vertrouwen in het proces.
Verwondermomenten vol plezier.
En dankbaarheid 🙂

In de schaduw van het oog

Photo by Clay Banks on Unsplash

Zouden er kinderen zijn die niet nieuwsgierig zijn?

Mijn herinneringen vertellen me dat ik wel nieuwsgierig was. Als er vroeger vrouwelijk bezoek kwam dat een handtas bij had, dan dook ik er steevast in om te snuisteren wat er allemaal in zat. Eventueel iets te oogsten met bedelende oogjes. Bij snoepjes of koekjes lukte dat vlotjes.

Ik zie me nog zitten op de grote zetel. Beentjes die niet verder kwamen dan het blauwe kussen en een handtas op schoot. Intussen had mijn ma al gezegd ‘niet doen Fiducia’-of iets in die trant -, maar aangezien de eigenaresse meestal reageerde met ‘laat haar maar doen’ ging ik gewoon verder met uitladen en bestuderen. Mijn wereldje en ik.

De lippenstiften moesten steevast even opengedraaid worden om te kijken welke kleur erin verborgen zat. Na te gaan of die overeenkwam met de kleur lippen van de eigenaresse.

Kaartjes, papiertjes, foto´s….het ging allemaal door mijn kleine vingers.

Wat ik ook wel deed als er bezoek was en ik dus even ongestoord aan de gang kon gaan, is snuisteren in de badkamerkastjes. Het heeft overigens een tijdje geduurd vooraleer ik doorhad dat je die lippenstiften ook weer omlaag moest draaien vooraleer de dop er opnieuw op te zetten. Dat heeft bij mijn ma meermaals de vraag opgeroepen ‘wie heeft er aan mijn lippenstift geprutst?‘. Dan probeerde ik mijn broer in het vizier te brengen, met weinig resultaat.

Echt ruzie heb ik nooit gekregen voor deze nieuwsgierigheid, denk ik.
Wel ben ik voor schut gezet.

Zoals op een avond dat er bezoek was en bedtijd zich aandiende voor mij. Ik had rustig allerhande papjes en smeerseltjes uitgeprobeerd op mijn gezicht. Met nog een smeer blauwe oogschaduw aan mijn ogen deed ik een ronde van de eettafel om iedereen een zoen te geven. Ik kwam niet veel hoger dan de stoelleuningen, herinner ik me.
Mijn ma verkondigde voor het hele gezelschap:
‘je hebt aan de oogschaduw gezeten hé‘.
Ik schudde van neen.
‘Sluit je ogen eens en laat eens zien
Ik deed wat me werd gevraagd en keek dan met vragende ogen naar het bezoek.
En zij dan in eensgezindheid met glunderende ogen:
ja, ze heeft aan de oogschaduw gezeten‘.

Maar wat kon ik anders dan standvastig bij mijn antwoord blijven?
Ik had nog niet geleerd dat ‘de waarheid’ niet bestaat.
Ik had kunnen beweren dat de oogschaduw aan mij gezeten had, dat ik niet anders kon dan hem laten doen, weerloos als ik was…of zo.

Enfin.

Hoe voed je nieuwsgierigheid?
Door het niet-weten te kriebelen en er een verlangen aan vast te haken?