Onvoltooid

Photo by Dan Visan on Unsplash
Onvoltooid – audioversie

ik zag het aan de pijn achter zijn lach
een jeugd die zich vervoegde
in de onvoltooid verleden tijd

toch kreeg ik nog zijn naam
en een innemend goeiedag

onder een hoop waar de verbinding
ietwat zacht en fijn mag zijn

De brief

Photo by Green Chameleon on Unsplash

Met dit bericht startte ik ooit mijn blogexperiment in 2014.
Vandaag de brief aan mijn overleden ‘baas’ van toen, in audio- en tekstvorm.

Dag professor,

Het voelt nog steeds een beetje vreemd, maar na jaren van aarzelen dan toch dit schrijven.
Al weet ik niet eens of u me nog onderscheidt in uw herinnering.

Voor mij begon een mooi verhaal halfweg 1997 toen ik bij u op sollicitatiegesprek kwam. De derde ronde. Mijn dochter, toen tien maanden oud, lag in het ziekenhuis maar u gaf me ruimte en een eerlijke kans op de job met een paar weken uitstel voor het beslissende gesprek. Ook al onderstel ik dat uw agenda niet erg veel vrije ruimte ademde. Bovendien was de start van het project urgent omwille van de contractuele afspraken met een handvol strategische partners.

Ik herinner me haarscherp wat het eerste was dat u me vroeg toen ik op gesprek kwam.
Hoe het met mijn dochter ging. Weet u dat nog?
Ik zie ook nog helder voor me hoe u non-verbaal reageerde toen ik aangaf dat mijn dochter er wellicht niet aan zou sterven. Hoe u toen een krimp gaf. Heel subtiel.
Ik was er even door uit evenwicht. Zag u mijn hapering toen, professor?

Ook later zou ik uw betrokkenheid en zorg ervaren. Elke vijf minuten overleg die ik aan één van uw secretaresses vroeg wanneer ik dreigde vast te lopen op een vraagstuk. U maakte tijd voor me.
Zette me telkens op het spoor dat toeliet dit internationale pilootproject, uw geesteskind, te doen slagen. En uw opzet slaagde. Met overweldigende respons.
Het project liep. Liep goed. Werd stilaan routine.

Maar u, u had kanker. En ik wist dat. Ik wist dat zelfs zeer snel.
Doordat de zus van uw schoonzoon me dit had toevertrouwd in mijn eerste werkweek.
‘Maar ik moest het zwijgen.’
Ik onderstel dat u dat bij leven nooit heeft geweten.

De krimp die u gaf bij het sollicitatiegesprek. Het daagde me.
Sterfelijkheid stond toen al enkele jaren vetgedrukt in uw agenda.

Ik had uw pijn bij onze eerste ontmoeting opgemerkt en detecteerde hem nog vele keren daarna.
Maar ik zweeg, ook al voelde ik de zwaarte van de last die u droeg.
Toen ik op een keer uw grimas zag toen u moeizaam opstond uit uw bureaustoel en ik stilletjes opperde om een ander moment terug te komen. Herinnert u zich dat moment en hoe u mijn voorstel toen weigerde?
U ging door. Dwars door de pijn. Zolang het kon.

Het is in tranen dat ik dit schrijven afrond. Het verhaal dat zo mooi startte meer dan twintig jaar geleden, het is niet af voor mij. Uw dood en wat daarop volgde waren te onwezenlijk. Ik kon en kan het nog steeds niet vatten.
Weet u, soms overspoelt me nog de vraag of ik deel uitmaakte van een interuniversitair experiment, toen, onder uw hoede…
Maar ook op die vraag wens ik intussen geen antwoord meer.
Wat levert het me op, nietwaar?!

Misschien klinkt het vreemd, maar ik ben u immens dankbaar voor uw mentorschap.
U geloofde in mij. U geloofde dat ik dit complexe project aankon.
Dat heeft mijn potentieel doen bewegen.
Mezelf dat herinneren, helpt ook nu nog.

In voor en tegenspoed.

U genegen,
Fiducia

Verbinding

Photo by Shane Rounce on Unsplash

Welke dag het was, weet ik niet meer. Maar ik had de bus richting station genomen en de chauffeur draaide muziek. Het was een fijne rit, de zon scheen en ik genoot van de muziek en de ontspannen sfeer op de bus. Er waren maar een drietal andere reizigers die meereden en ik hoorde niemand klagen over de muziekkeuze. Het waren trouwens wat ‘oudjes’ die gedraaid werden, maar net zo fijn.

Aan het station moest ik een andere bus nemen.
Een vrouw stapte enkele haltes verder op en ze stond wat te wiebelen op de middengang.
“Kan ik helpen?”, vroeg ik.
Ze draaide zich om, ik nam mijn rugzak van de zitting naast me en ze nam plaats op die plek.
Gezellig zo met zijn twee.

Aan de volgende halte waar de bus stopte, stond ik even op en vroeg ik aan de chauffeur of hij muziek wilde opzetten.
“Er staat muziek op” antwoordde hij, “maar die is enkel hier vooraan te horen.”
Nu was het ook een oud type van bus die al wat meer lawaai maakt dan de nieuwere versies, zoals degene die ik eerder had genomen.

De bus vertrok weer en de chauffeur was blijkbaar sowieso niet van plan zijn muziek door heel de bus te laten klinken.
De vrouw naast me raakte mijn arm aan en sprak “talk to me.” Geheel spontaan.
Dus dat deden we. En ik kwam een glimp van haar leven te weten. Dat ze een vriendin ging opzoeken in de stad waar ook ik naartoe reed. Dat ze ernaar uitkeek en die verbinding eens per week maakte. Ofwel kwam de vriendin tot bij haar.

Ze was voornamelijk alleen, hoewel ze kinderen had en een man. Maar niet in dit land.
Bij de voorlaatste halte stapten we beiden af en groetten we elkaar.
We wisselden geen gegevens uit. Ze drong er ook niet op aan dat ik later nog een keer met haar zou spreken, wat anders soms wel gebeurt.

Maar dit gesprek, deze toevallige ontmoeting, deed me wel denken aan het project dat Arsenaal/Lazarus in Mechelen opzette in samenwerking met het lokale museum Hof van Busleyden: ‘De grond der dingen’.

Ik heb het initiatief al een poos niet meer opgevolgd, maar aan het begin van het traject mochten Mechelaars ideeën insturen die de stad en/of haar bewoners ten goede komen. Later werden alle ideeën voorgesteld in een aparte ruimte in het museum en het traject leidde naar een voorstel aan de stad om de, via participatieve besluitvorming steunend op technieken van deep-democracy, geselecteerde projecten ruimte te geven om zich te ontvouwen.
Het opzet was niet dat de stad geld aan de ideeën zou toekennen om de realisatie mogelijk te maken, dan wel fysieke ruimte te voorzien om de ideeën te ontplooien.

Ook ik stuurde bij de eerste oproep een idee in, dat later in het beslissingstraject aan enkele andere ideeën werd gekoppeld.
Mijn voorstel was om de perronbanken in de stations in de Mechelse regio alsook de banken aan de bushaltes een herbestemming te geven als ontmoetingsplaats.
Ik heb geen idee hoeveel vierkante meter dit in beslag neemt, al die bushaltes en perrons waar banken ter beschikking staan. De intentie voor mijn idee was om de barrière om een gesprek aan te vatten te doorbreken. De barrière die vaak gevormd wordt door…scherm-kijken-in-de-eigen-bubbel.
Met ‘bubbel’ nog zonder connotatie met het Corona-virus…

De vrouw die ik in de bus ontmoette had geen ‘opstapje’ nodig om een gesprek aan te knopen. Een jongeman die op een keer naast me kwam zitten aan de bushalte ook niet. Hij wou weten hoe oud ik ben. Ik heb het hem met wat omwegen verteld. Hij is niet lang blijven zitten. Al was ik toen, geef ik toe, ook net in mijn bubbel op mijn GSM aan het tokkelen herinner ik me. Dat getuigt niet van veel openheid…

Fiducia reflecteert over verbinding…

Uitrusting

Photo by Matteo Catanese on Unsplash

“Ben je met de fiets?” vroeg hij.
Ik keek de man die me net met zijn winkelkar was gepasseerd wat verwonderd aan.
“Ja, hoezo?”
“Omdat je een regenbroek aan hebt.”
“Ah ja” zei ik, “dat heb je goed gezien.”
“Waar koop je dat?”
“In de fietswinkel” antwoordde ik een tikkeltje verbaasd.
“Kruipen die pijpen dan niet tussen uw ketting of uw trappers?”
“Neen, aan deze broek zijn velcro´s om aan te spannen en alles wat bij elkaar te houden aan mijn enkels.”

Vreemd gesprek vond ik dit.
Maar hij leek tevreden over de interactie want hij wandelde alweer door zonder verdere begroeting. “Succes ermee”, stuurde ik hem nog na.

Ik vervolgde mijn weg, stond daarna even aan te schuiven aan de kassa waarbij ik me plots realiseerde dat ik iets vergat. Ik keerde dus via een omweg terug op mijn passen en zag dezelfde man met een jonge Aziatische vrouw staan praten ter hoogte van de vleesproducten.

Aan haar gezicht af te lezen leek ze zich niet helemaal open te stellen voor de man.
Maar ik haalde mijn vergeten boodschap op, betaalde aan de kassa en stapte op mijn fiets af om mijn draagtassen ‘vloeiend’ in de fietszakken te schuiven.

“Ah, die schoenen ken ik” hoorde ik toen ik voorovergebukt een beetje stond te sukkelen.

Het was een vriend van me die ik de afgelopen dagen en weken al een paar keer ben tegengekomen in de stad. Soms omdat we afspraken, vaak ook toevallig, als hij ergens stond te praten en ik voorbijfietste of wandelde.

Los van mijn schoenen die hij de dag tevoren ook al had aanschouwd omdat ik er iets had over gezegd in de trant van “het zijn niet echt wandelschoenen maar mijn broek is te kort dus doe ik deze korte laarzen aan zodat het niet echt opvalt.”
Omdat we gingen wandelen was het wel een gedurfde keuze om een korte laars met hak te dragen natuurlijk, maar het wandelen lukte wonderwel.
We overschreden dan ook de 10km niet, misschien geen detail.

Ik begeef me vaak op straat om dan te vergeten hoe ik eruit zie. Met een regenbroek onder een regenjas, een muts over twee oren waaraan een mondmasker is gehaakt.
Een mondmasker dat ik al fietsend meestal gewoon onder mijn kin span om het aandampen van mijn bril te slim af te zijn.

Meestal consulteer ik ook het weerbericht niet.
Wat al eens tot verrassingen leidt al dan niet resulterend in een verkoudheid her of der.

Vroeger -en misschien moet ik ‘haar’ nog ergens hebben liggen – droeg ik bij regenweer op de fiets een cape. Maar als er dan een weerscombinatie was van regen én wind, kreeg ik vaak dat bodempje water in mijn gezicht gezwiept bij een windvlaag.

Als kind droeg ik dat niet graag om naar school te gaan. En de kansen om in de regen te rijden waren voor mij dubbel zo groot, omdat ik vele jaren thuis ben gaan middageten.
Zo heb ik ook ooit een broek verbrand door ze na de lunch snel even met de haardroger droog te blazen. Van iets te dichtbij.
Opbrengst: een zwarte schroeivlek en een gaatje. Het was een beige broek, dat herinner ik me nog. Eentje die ik graag droeg. Maar mijn ma heeft er een, hoe heet je dat, ‘applique’ op genaaid waarna ik ze nog heb gedragen.

Bijna net als die knielappen en ellebooglappen van (vooral) de jongenskledij in mijn kinderjaren.
Met die corona-proof ellebooggroeten moet dat misschien opnieuw een trend worden, zo van die zachte ellebooglappen die een beetje meeveren…

Soit. Genoeg geleuterd vandaag.

PS: Hieronder nog een geluidsopname die ik gisteren ‘inblikte’, naar aanleiding van het filmpje over de Vink dat ik er bij plaatste.

Luistervinken

Gevonden op Natuurpunt.be – Vogelgeluiden en/in hun duurzame karakter…

Dat het vandaag moeilijk is om mensen te vinden die goed kunnen luisteren. Zo blijkt.
Omdat ik veel mensen ontmoet die zich niet gehoord weten.
Laat staan begrepen.
Zo blijkt uit mijn persoonlijke belevingen, opbrengsten zeg maar, van (mede)menselijke interacties.

“Vreemd toch?” denk ik dan.
Waar loopt het mis in de interactie?

Enkele jaren geleden alweer had ik een gesprek met een vrouw van Marokkaanse afkomst. Opgeleid tot therapeute.
Ze gaf op een bepaald moment aan dat ze zich voor het eerst echt gehoord wist toen we daar zo een tijdje aan het kennismaken waren in dat kleine kantoor. In een organisatie waar het anders vol liep en loopt met betaalde krachten in leveren van psychologische hulp.

Ook die ervaring benoem ik als ‘vreemd.’

Ze had me geraakt met haar verhaal. Hoe ze zich zo vaak moest verdedigen in haar job, hoe moeilijk het voor haar kinderen was op een school waar gekleurd niet de hoofdmoot uitmaakt van de leerlingen en hoe, naast het werk, het omgaan met de gewoontes binnen de eigen cultuur om voor elkaar te zorgen en op te komen soms ook het verlangen naar wat me-time doet ontstaan.

Een traan en een knoop in mijn buik. Een gevoel van machteloosheid ook, een beetje.
Dat gaf ik haar terug.

Ik werk niet met haar samen maar heb wel al gemerkt hoe gedreven ze is in haar job. Bewonderenswaardig. Om zo te blijven vechten voor je bestaansrecht hoewel de behoefte je ‘gehoord’ te weten soms zwaar weegt. Waar vind je dan een plek om even te ‘leunen’?
Ik weet het wel. En wellicht toen ook al.
Een cultuur van wederzijdse steun, daar ligt de sleutel tot zich gedragen weten.

Laatst kwam ik te voet terug van een supermarktbezoek met een zware tas vol boodschappen over mijn rechterschouder. Ik zie een eindje voor me een kennis een straat inslaan.
Ze ziet me ook, draait zich om en groet me hartelijk.
“Hoe gaat het met je?” roept ze glimlachend.
“Het moet ongeveer een jaar geleden zijn dat we elkaar zagen, niet?”, vulde ze aan.
“Het kan beter” antwoordde ik, “maar ik ga je er nu niet over vertellen.”
Ze stond trouwens ook een beetje gedraaid met me te praten, als met één voet in de richting van het vervolg van haar wandeling. Een zijstraat van de straat waar ik op liep.

Dus stapte ik moedig door met mijn “had-ik-maar-twee-draagtassen-bijgehad-voor-verdeling van-de-lasten” schoudertas en vroeg ook haar of hoe het ging.
Ze antwoordde met een glimlach dat het haar goed ging.
Ik groette haar nog en ze vervolgde haar weg met
“Hou je goed hé.”
Een beetje vreemd vond ik dat, omdat het me niet zo goed ging en ik dacht dat ook aangegeven te hebben…

Maar niet getreurd.
Thuiskomen, boodschappen wegzetten en een kopje troost slurpen.
Soms wordt ‘niet goed’ een beetje ‘beter’ door een kleine koesterervaring in het moment…

Waar ik ineens aan denk…
Ooit vroeg iemand:
“Wat zou je aan Richard Branson vragen mocht hij ineens aan je deur aanbellen?”

Ik moest nog net Richard Branson niet goochelen toen, maar mijn antwoord kwam op zijn minst ietwat bevreemdend piepen tussen het allegaartje andere antwoorden die namiddag.
Toen het mijn beurt was, zei ik:
“Ik zou vragen waarom hij precies aan mijn deur aanbelt.”

Naast de antwoorden die getuigden van een verlangen naar materieel succes en moeiteloos hanteren van pittige hobbels, bleek ik weer de vreemde eend in deze vijver qua interessegebied.

Ach ja, Intussen hecht ik nog steeds waarde aan Waarden en weet en voel ik hoe die onbetaalbaar zijn. Dus schrijf ik over ervaringen, in de hoop her of der iemand te inspireren. Of stilstaan bij wat is.
Wie weet, zich zelfs een beetje ‘gehoord’ te weten in onze stilzwijgende interactie.

En zolang ik zelf niet begin te leven alsof ik kan vliegen, ben ik allang “ten Vrede” dezer dagen.

Hou je!

Labels

Photo by Marija Zaric on Unsplash

you might think in labels, I don´t
You might judge me for hazy
nonbinary, crazy
But that´s just your view of this point

In the world of today
being complex or straight
an angle unspoken
is worth of a token

cause decisions not taken
from a foreign affair
let´s say: ‘Leave us poor’
that´s a label

be sure you enable
the talent it takes to beware
take a view in this earthy affair
to take care of our Spectrum of Life

I see you, you see me
if you don´t, let´s agree
you go searching for glasses
that broaden your view

because time passes by
and we have some things to do

Het onderonsje

Photo by Sierra Narvaeth on Unsplash

Egel leefde achteraan in de grote tuin in een nest dat goed verscholen lag. Hij had het er best naar zijn zin. Overdag deed hij na elke maaltijd een dutje en ´s avonds genoot hij van een beetje televisie kijken. Daar tussenin had hij zijn handen vol met boodschappen doen en zijn huis netjes houden. Hij deed alles rustig aan, zoals het een egel betaamt.
Voor vanmiddag hadden ze aangenaam weer voorspeld dus leek het Egel een goed idee om een ommetje te maken. Hij zou naar de bakker lopen en zich een vieruurtje aanschaffen. Zijn vriend Ekster had hij al een paar dagen niet gezien, maar Egel had een sterk voorgevoel dat die vandaag even zou binnenspringen.
 
Ekster was een beetje gierig van aard, bracht zelf nooit een hapje mee maar Egel vond dat niet erg. Hij genoot van het gezelschap van Ekster en zou voor hem dus ook iets uitkiezen bij de bakker. Egel wist dat zijn vriend dol was op tompoesjes. Welk taartje Egel voor zichzelf zou uitkiezen wist hij nog niet. Hij zou zich wel laten verrassen bij de bakker.
Egel zag het helemaal zitten. Hij zette zijn stekels op, sloot de voordeur en vertrok.
 
Egel zette altijd zijn stekels op als hij het huis uit ging. De andere dieren uit de buurt waren erg nieuwsgierig en met zijn stekels hield hij hen een beetje op afstand.
“Laat ze maar loeren en roddelen” dacht hij “zolang ik het niet moet horen vind ik het allemaal oké. “
De afstand tot de bakker was ongeveer vijfhonderd meter. Over een uurtje ongeveer zou hij er zijn.
 
Ekster woonde enkele kilometers  verderop. Hoewel hij al een respectabele leeftijd had, zat hij nog goed in de veren en vliegen, landen en lopen kon hij nog als de beste. Opstijgen lukte daarentegen steeds minder goed. Hij had de energie niet meer en om die reden kwam hij nog amper buiten. Zijn dochter bracht hem elke dag te eten en er kwam iemand van de thuishulp om zijn nest netjes te houden. Maar vandaag wou hij er tussenuit. Hij zou zijn trouwe vriend Egel nog eens een bezoekje brengen.
 
Ekster wou graag een hapje meenemen, maar aangezien hij dat amper kon dragen, laat staan mee torsen als hij zich afzet, zou hij gewoon zichzelf aandienen bij Egel in de hoop dat deze dat niet erg vond. Ekster liep tot aan het einde van de tak waarop zijn nest rustte, zakte door zijn poten en duwde zich af met alle kracht die hij in zich had. Een windvlaag verraste hem echter waardoor hij tegen de tak terug geduwd werd en hij onmenselijke kracht moest zetten op zijn vleugels om niet te pletter te storten. Het was gelukt, hij vloog. Maar de tranen stonden hem in de ogen en zijn vleugels deden pijn. Hij vloog op automatische piloot en intussen piekerde hij. Hoe moest het nu verder, als hij straks niet eens meer buiten kon voor een bezoekje aan zijn enige vriend.
 
Toen Ekster bij het hol van Egel arriveerde was deze nog onderweg naar huis. Ekster stond een beetje rond te draaien aan de voordeur en kraste “Egel…Egel!!”.
Geen reactie. Hij besloot te wachten en intussen wat op adem te komen. Hij voelde zich nog steeds erg somber.
 
Egel was opgetogen. De bakker had nog een tompoes in huis gehad en voor zichzelf had egel een carré confituur gekocht. Hij droeg het pakketje achter zich aan in zijn winkelkarretje. Deze hing met een snelbinder aan de vijfenzestigste stekel bovenop zijn rug, van aan zijn achterste te tellen. Die bewuste stekel stond verticaal en was het sterkst. Toen Egel zijn huisje naderde zag hij in de verte zijn vriend staan.
“Hé Ekster” riep hij “ik ben blij dat je er bent. Ik heb taartjes gekocht.”
Ekster keek hem met droevige ogen aan maar perste toch een glimlach uit zijn snavel. Hij riep echter niets terug.
 
Egel was niet van gisteren. Hij besefte dat Ekster moeite had met zijn leeftijd, dat hij niet meer goed kon opstijgen en dat hij daardoor vaak bedroefd was. Maar van een vieruurtje zou hij zeker opknappen.
 
Het onderonsje verliep in stilte. Ekster at zijn tompoes en Egel genoot van zijn carré confituur. Ze nipten af en toe van hun thee maar keken elkaar bewust niet aan. De stekels van Egel waren inmiddels weer plat en het winkelkarretje had hij netjes opgeborgen in de berging.
 
“Weet je”, sprak Egel “als je wil voer ik je naar huis met mijn karretje”.
Ekster keek op. “Zou je dat echt voor me doen?” vroeg hij.
“Tuurlijk, ik meen toch altijd wat ik zeg.” 
“Je bent zo lief voor me. Je koopt altijd wat lekkers voor me en ik kan je niets teruggeven”.
“Onzin” sprak Egel. “Je komt bij me op bezoek. En jij bent de enige die dat doet. En ik weet dat je het moeilijk hebt en toch zeur je niet. Ik vind jou een moedige man Ekster. En ik breng je met alle plezier naar huis.”
 
En zo kwam het dat die dinsdag in september een egel vijf kilometer aflegde met achter zich een ekster in zijn winkelkarretje. Met een snelbinder aan de vijfenzestigste stekel vastgebonden.
 
Hoe Ekster uiteindelijk in zijn nest is geraakt weet niemand. Dat blijft het geheim van de twee goede vrienden.

Neergekribbeld op 3 augustus 2012

Voetnoot: ut!

En ook: blijkbaar heeft een volwassen egel 8000 stekels die zijn samengesteld net als mensenhaar, met keratine in. Toen mijn huisgenoot dat na het middageten voorlas uit zijn kersverse natuur-dagkalender, vroeg ik me ineens (heel stilletjes) af…mmmh…keratine…is dat niet de brandstof van vliegtuigen?

Hij las ook voor dat mensen tegenwoordig vogels voeren met pindakaas. Daar moesten we eigenlijk allebei om lachen.
Maar ik lachte niet meer toen hij las dat het zout dat in de meeste pindakaas zit niet goed is voor de vogels…

Want…

De sneeuw blijft nog altijd flink liggen….ondanks het zout dat gestrooid is…
Mmmh…even tweeteren:
tw-eat!: Vanavond allemaal terug vogelballeneten!

Navigeren

Photo by Rod Long on Unsplash

Ik herinner me een moment van een tijd geleden dat ik me vrij vroeg op de avond al in nachtkledij had gehuld. Opeens hoor ik een luide schreeuw op straat. Een kind. In nood?
Heel mijn systeem wordt alert en treedt in actie.
Ik trek snel iets deftigs aan en ga de deur uit.

Ik zie wat verderop een man staan met vlak voor hem een jongen van een jaar of tien. De jongen huilt. ‘Niet gaan papa, niet gaan’. Hij klampt hem aan. Ik weet niet goed wat doen maar mijn overbuur is intussen ook buiten gekomen. Hij heeft deze situatie al eerder gezien. Hij licht toe. De papa en mama zijn gescheiden. De dagen dat de jongen bij de papa is wil hij hem niet meer inruilen voor de mama. Vaak scènes als papa moet gaan werken.

Papa werkt als chauffeur voor een Brusselse minister. Met zijn drieën trachten we de jongen te kalmeren. Hem terug naar het appartement van zijn mama te loodsen.
Simpel is het niet. Ik leg uit dat papa moet gaan werken om centjes te verdienen om eten te kopen voor hen en af en toe een geschenkje voor de jongen.

Uiteindelijk lukt het toch.

Mijn overbuur zegt: ‘het is niet evident om vandaag kinderen op te voeden.’
Die uitspraak zindert bij mij niet meteen.
Ik probeer het te vatten. Misschien omdat vandaag de noodzaak bestaat dat beide ouders gaan werken om met het gezin te kunnen rondkomen. Als je dan thuiskomt en moe bent en de kroost wil aandacht waar je op dat moment niet de energie voor hebt, dan voelen de kinderen zich wat verloren. Dan trachten ze elders terecht te kunnen met hun verhaal.

Gisteren nog hoorde ik de uitspraak dat er maar één mentor nodig is om kinderen die het moeilijk hebben een kans op een fijne toekomst te geven. Eentje is genoeg. Een andere uitspraak zegt: ‘it takes a village to raise a child’. Ook dat is waar. Dat maakt het alvast wat makkelijker. Verschillende generaties bij de opvoeding betrekken.

Een tijdje geleden zag ik in een krantje van de Gezinsbond de term ‘sandwichgeneratie’. Met als uitleg: ‘Het zijn vrouwen of mannen die dus op hetzelfde moment in hun leven voor een jongere én een oudere generatie zorgen en die zorgtaken combineren met een betaalde baan. ‘

Ik ben er intussen van overtuigd dat elke generatie elkaar kan helpen: de jeugd kan de ouderen ICT-geletterdheid bijbrengen, de ouderen kunnen als (hopelijk) ‘wijzen’ een mentor zijn voor de kinderen en de tussengeneratie, de ouders die ook kinderen zijn, kunnen wat minder trachten te ‘controleren’ en meer te ‘navigeren’ op de aanwezige energieën. Zodat hopelijk de stress wat afneemt en er weer meer tijd is om te ‘zijn’.

De ene cultuur is daar al wat vaardiger in dan de andere.
We hebben dus ook daar van elkaar te leren.

Begrip

Photo by Alexandra Mirgheș on Unsplash

Ik luister. Als je wil.

Dat wou ik zeggen.
Ik had hem waargenomen. Zijn energie gesavoureerd.
De snelheid, onrust, gejaagdheid gevoeld.
En ik wou zeggen: ik zie je. En ik luister, als je wil.

Maar hij zag me niet. Of niet werkelijk. Teveel om zijn hoofd. Teveel focus op zijn besoignes.

Er bestaat zo´n gedicht van … ja, van wie is het alweer?
Even goochelen in mijn woordenbrei…

Niet dus…dan maar spinnend tussen de verbindingen…

Wellicht zijn alle draken in ons leven
Uiteindelijk prinsessen
Die er in angst en beven slechts naar haken
Ons eenmaal dapper en schoon te zien ontwaken.

Wellicht is alles wat er aan verschrikking leeft
In diepste wezen wel niets anders dan iets
Wat onze liefde nodig heeft.

Rainer Maria Rilke

Dat heb ik dus niet geschreven he.
Ik heb het de besoigne-man ook niet meegedeeld. Zou een slechte opener zijn geweest.

Ik stapte gewoon door.

Hij bleef zitten met zijn handen om zijn telefoon en blik op een wereld waar hij niet zag of voelde dat er ‘echte’ mensen ‘rondlopen’ die het fijn vinden om te luisteren.

Jammer toch, dat hij niet uitreikt als hij zich onrustig weet.

Maar ook dat versta ik.