Onderhand-delen

Photo by Andrew Neel on Unsplash

“Als je een euro hebt, krijg je mijn kar”, zei ik zelfverzekerd.
“Ik heb geen euro”, schudde de man terwijl hij zijn fiets vastmaakte, “ik heb geen kleingeld bij.”
“Ah, dan zal je niet binnen kunnen, want je moet hier een kar nemen en deze hier zijn er met geld.”
“Misschien heb ik een jeton”, sprak hij nog.

Ik ging tijdens het spreken verder met het wegstoppen van mijn luttele moestuinzaaiplan-aankopen en hij stond daar nog steeds aan zijn fiets en tasje te foefelen.
“Ik heb wel vijftig euro”, grapte hij.
“Dat is ook goed”, heb ik al glimlachend geantwoord, zonder hoop op een goeie deal overigens.

“Hier, neem de kar maar”, zei ik en ik gaf ze een klein duwtje.
“Ik kan je euro komen brengen”.
“Haha, neen, laat maar.”

Ik heb voor de voorzichtige volledigheid nog aangegeven dat de kar ontsmet was.
Hij wilde weten of de euro dat ook was.
Ook dat nog…
Een euro in ‘bruikleen’ krijgen en dan nog kieskeurig zijn ook…

Het was maar een euro, maar ik heb hem dus weggegeven hoewel ik had gehoopt een eerlijke deal te kunnen sluiten.
Zo goed ben ik dus in onderhandelen…

Het was ‘maar’ een euro maar ik had er eerder goed op gelet hem niet uit te geven omdat ik niet zo een jeton bezit om winkelkarren los te maken en de enige restjes van mijn kleingeld zo van die gelige en koperen muntjes zijn.

Dus zal ik opnieuw mijn onderhandelvaardigheden moeten boven halen bij de bakker of zo…
Of die al bereid zal zijn vijf ‘twintig-centiemp-jes’ te ruilen voor een euro…in deze tijd…
En anders wordt het winkelen in zaken waar de karren vrij van muntstuk zijn…en hopen dat ze hebben wat ik zoek.

Zucht. Dat het allemaal niet simpel is.

Of wie weet, reikt iemand ook gewoon ooit een keer zijn of haar kar aan mij aan zonder iets terug te vragen.
Of ik ga niet meer winkelen hé, dat is wellicht nog de verstandigste oplossing.

Ik herinner me wel nog de drie jongeren toen bij de broodautomaat, waar één van hen me niet alleen een euro gaf maar me ook het pompoenbrood adviseerde. Duizendmaal dank, waar je ook bent! Ik vrees dat ik de jongeman niet meer ga herkennen als ik hem tegenkom, maar ik ben nog altijd blij dat ik tenminste heb benadrukt dat hij en zijn makkers zichzelf moesten zien als ‘primair’ in plaats van ‘secundair’, zoals zij zichzelf noemden. Omdat ‘wij’ hen zo noemen.

Ik snor even het juiste blogbericht op. Voilà, bij deze de link.
Ook de spontane kus van de zwerver toen ik hem centjes gaf voor twee overnachtingen in de nachtopvang, herinner ik me. Daar schreef ik ook een berichtje over ooit…maar ik heb geen zin om het op te zoeken.

Inmiddels weet ik al langer dan vandaag dat ik anders in elkaar zit dan de doorsnee mens.
Zo herinner ik me de woorden van dezelfde zwerver over het ‘deksel-op-de-neus’ van een vrouw die hem radicaal had afgewimpeld toen hij haar alleen nog maar had aangesproken.

Misschien worden mensen niet graag geconfronteerd met kwetsbaarheid. Dat kan hé.
´t Zal daarom zijn dat geen kat mijn blogberichten leest 😊

Een euro opbrengst per klik.
Stel u voor dat dat kon…
Dan kan je na een tijd wellicht alle winkelkarren uitlenen, heel alleen in alle rust de keten doorstruinen en zonder file aan de kassa verschijnen.

Ik zal er eens over nadenken…
Zo, dat is ook weer gebeurd 😉

Over woorden, hun betekenis en hun afleidingen

Verbinding

Photo by Shane Rounce on Unsplash

Welke dag het was, weet ik niet meer. Maar ik had de bus richting station genomen en de chauffeur draaide muziek. Het was een fijne rit, de zon scheen en ik genoot van de muziek en de ontspannen sfeer op de bus. Er waren maar een drietal andere reizigers die meereden en ik hoorde niemand klagen over de muziekkeuze. Het waren trouwens wat ‘oudjes’ die gedraaid werden, maar net zo fijn.

Aan het station moest ik een andere bus nemen.
Een vrouw stapte enkele haltes verder op en ze stond wat te wiebelen op de middengang.
“Kan ik helpen?”, vroeg ik.
Ze draaide zich om, ik nam mijn rugzak van de zitting naast me en ze nam plaats op die plek.
Gezellig zo met zijn twee.

Aan de volgende halte waar de bus stopte, stond ik even op en vroeg ik aan de chauffeur of hij muziek wilde opzetten.
“Er staat muziek op” antwoordde hij, “maar die is enkel hier vooraan te horen.”
Nu was het ook een oud type van bus die al wat meer lawaai maakt dan de nieuwere versies, zoals degene die ik eerder had genomen.

De bus vertrok weer en de chauffeur was blijkbaar sowieso niet van plan zijn muziek door heel de bus te laten klinken.
De vrouw naast me raakte mijn arm aan en sprak “talk to me.” Geheel spontaan.
Dus dat deden we. En ik kwam een glimp van haar leven te weten. Dat ze een vriendin ging opzoeken in de stad waar ook ik naartoe reed. Dat ze ernaar uitkeek en die verbinding eens per week maakte. Ofwel kwam de vriendin tot bij haar.

Ze was voornamelijk alleen, hoewel ze kinderen had en een man. Maar niet in dit land.
Bij de voorlaatste halte stapten we beiden af en groetten we elkaar.
We wisselden geen gegevens uit. Ze drong er ook niet op aan dat ik later nog een keer met haar zou spreken, wat anders soms wel gebeurt.

Maar dit gesprek, deze toevallige ontmoeting, deed me wel denken aan het project dat Arsenaal/Lazarus in Mechelen opzette in samenwerking met het lokale museum Hof van Busleyden: ‘De grond der dingen’.

Ik heb het initiatief al een poos niet meer opgevolgd, maar aan het begin van het traject mochten Mechelaars ideeën insturen die de stad en/of haar bewoners ten goede komen. Later werden alle ideeën voorgesteld in een aparte ruimte in het museum en het traject leidde naar een voorstel aan de stad om de, via participatieve besluitvorming steunend op technieken van deep-democracy, geselecteerde projecten ruimte te geven om zich te ontvouwen.
Het opzet was niet dat de stad geld aan de ideeën zou toekennen om de realisatie mogelijk te maken, dan wel fysieke ruimte te voorzien om de ideeën te ontplooien.

Ook ik stuurde bij de eerste oproep een idee in, dat later in het beslissingstraject aan enkele andere ideeën werd gekoppeld.
Mijn voorstel was om de perronbanken in de stations in de Mechelse regio alsook de banken aan de bushaltes een herbestemming te geven als ontmoetingsplaats.
Ik heb geen idee hoeveel vierkante meter dit in beslag neemt, al die bushaltes en perrons waar banken ter beschikking staan. De intentie voor mijn idee was om de barrière om een gesprek aan te vatten te doorbreken. De barrière die vaak gevormd wordt door…scherm-kijken-in-de-eigen-bubbel.
Met ‘bubbel’ nog zonder connotatie met het Corona-virus…

De vrouw die ik in de bus ontmoette had geen ‘opstapje’ nodig om een gesprek aan te knopen. Een jongeman die op een keer naast me kwam zitten aan de bushalte ook niet. Hij wou weten hoe oud ik ben. Ik heb het hem met wat omwegen verteld. Hij is niet lang blijven zitten. Al was ik toen, geef ik toe, ook net in mijn bubbel op mijn GSM aan het tokkelen herinner ik me. Dat getuigt niet van veel openheid…

Fiducia reflecteert over verbinding…

Luistervinken

Gevonden op Natuurpunt.be – Vogelgeluiden en/in hun duurzame karakter…

Dat het vandaag moeilijk is om mensen te vinden die goed kunnen luisteren. Zo blijkt.
Omdat ik veel mensen ontmoet die zich niet gehoord weten.
Laat staan begrepen.
Zo blijkt uit mijn persoonlijke belevingen, opbrengsten zeg maar, van (mede)menselijke interacties.

“Vreemd toch?” denk ik dan.
Waar loopt het mis in de interactie?

Enkele jaren geleden alweer had ik een gesprek met een vrouw van Marokkaanse afkomst. Opgeleid tot therapeute.
Ze gaf op een bepaald moment aan dat ze zich voor het eerst echt gehoord wist toen we daar zo een tijdje aan het kennismaken waren in dat kleine kantoor. In een organisatie waar het anders vol liep en loopt met betaalde krachten in leveren van psychologische hulp.

Ook die ervaring benoem ik als ‘vreemd.’

Ze had me geraakt met haar verhaal. Hoe ze zich zo vaak moest verdedigen in haar job, hoe moeilijk het voor haar kinderen was op een school waar gekleurd niet de hoofdmoot uitmaakt van de leerlingen en hoe, naast het werk, het omgaan met de gewoontes binnen de eigen cultuur om voor elkaar te zorgen en op te komen soms ook het verlangen naar wat me-time doet ontstaan.

Een traan en een knoop in mijn buik. Een gevoel van machteloosheid ook, een beetje.
Dat gaf ik haar terug.

Ik werk niet met haar samen maar heb wel al gemerkt hoe gedreven ze is in haar job. Bewonderenswaardig. Om zo te blijven vechten voor je bestaansrecht hoewel de behoefte je ‘gehoord’ te weten soms zwaar weegt. Waar vind je dan een plek om even te ‘leunen’?
Ik weet het wel. En wellicht toen ook al.
Een cultuur van wederzijdse steun, daar ligt de sleutel tot zich gedragen weten.

Laatst kwam ik te voet terug van een supermarktbezoek met een zware tas vol boodschappen over mijn rechterschouder. Ik zie een eindje voor me een kennis een straat inslaan.
Ze ziet me ook, draait zich om en groet me hartelijk.
“Hoe gaat het met je?” roept ze glimlachend.
“Het moet ongeveer een jaar geleden zijn dat we elkaar zagen, niet?”, vulde ze aan.
“Het kan beter” antwoordde ik, “maar ik ga je er nu niet over vertellen.”
Ze stond trouwens ook een beetje gedraaid met me te praten, als met één voet in de richting van het vervolg van haar wandeling. Een zijstraat van de straat waar ik op liep.

Dus stapte ik moedig door met mijn “had-ik-maar-twee-draagtassen-bijgehad-voor-verdeling van-de-lasten” schoudertas en vroeg ook haar of hoe het ging.
Ze antwoordde met een glimlach dat het haar goed ging.
Ik groette haar nog en ze vervolgde haar weg met
“Hou je goed hé.”
Een beetje vreemd vond ik dat, omdat het me niet zo goed ging en ik dacht dat ook aangegeven te hebben…

Maar niet getreurd.
Thuiskomen, boodschappen wegzetten en een kopje troost slurpen.
Soms wordt ‘niet goed’ een beetje ‘beter’ door een kleine koesterervaring in het moment…

Waar ik ineens aan denk…
Ooit vroeg iemand:
“Wat zou je aan Richard Branson vragen mocht hij ineens aan je deur aanbellen?”

Ik moest nog net Richard Branson niet goochelen toen, maar mijn antwoord kwam op zijn minst ietwat bevreemdend piepen tussen het allegaartje andere antwoorden die namiddag.
Toen het mijn beurt was, zei ik:
“Ik zou vragen waarom hij precies aan mijn deur aanbelt.”

Naast de antwoorden die getuigden van een verlangen naar materieel succes en moeiteloos hanteren van pittige hobbels, bleek ik weer de vreemde eend in deze vijver qua interessegebied.

Ach ja, Intussen hecht ik nog steeds waarde aan Waarden en weet en voel ik hoe die onbetaalbaar zijn. Dus schrijf ik over ervaringen, in de hoop her of der iemand te inspireren. Of stilstaan bij wat is.
Wie weet, zich zelfs een beetje ‘gehoord’ te weten in onze stilzwijgende interactie.

En zolang ik zelf niet begin te leven alsof ik kan vliegen, ben ik allang “ten Vrede” dezer dagen.

Hou je!

Toiletbezoek

Photo by Marc Schaefer on Unsplash
Petrarca poem – voice: Fiducia

Tja, wellicht een beetje een vreemd onderwerp, maar het wil zich laten schrijven vandaag.

Een vriendin van me laat haar badkamer renoveren. En ze had de ervaring dat op een verhoogd toilet haar rugpijn minder opspeelt. Dus zocht ze ook naar een verhoogd toilet en laat dat installeren ter vervanging van het oude exemplaar. Met het oog op haar nog-oudere-dag dan vandaag wellicht.

Ik heb ook recent op een verhoogd toilet ervaring opgedaan. Beetje grappige manier om te zeggen dat als ik naar het toilet moest, ik met mijn voeten een 10-tal centimeter van de grond op een houten blok rustte. Ik had dan altijd de neiging om ‘tijdens het geduldig wachten’ mijn benen te inspecteren op wildgroei. Of mijn tenen. Als ik dan sokken aan had was het een hele evenwichtsoefening om die uit te trekken en te kijken of mijn teennagels geen knipbeurt behoefden. Dat hoefde ik uiteraard niet elke dag te doen, wildgroei gaat nu ook weer niet zo snel.

Meer nog, ik heb de indruk dat met de jaren de wildgroei wat minder snel verloopt. Al heb ik ook al opgemerkt dat af en toe, schijnbaar willekeurig, een haar wil groeien op plekken van waar je zou zeggen, ‘zeg, wat komt gij hier doen?’
Dan gaat de pincet in de aanslag en kan de haarpijl-aanval beginnen.

Niet op de WC uitdehaard…Daar ben ik al blij als ik toiletpapier binnen handbereik heb. Blijkbaar slaag ik er nooit in dat even op voorhand te checken. Mmmh…een gewoonte die verandering behoeft.

Op hetzelfde toilet als waar ik mijn voeten op een verhoogje moest zetten, was ook een raam aan mijn rechterkant. Ik liet het badstoffen overgordijn meestal dicht als ik naar het toilet moest, maar af en toe piepte ik toch even door de, hoe noem je die, ondergordijnen.
Als ik beweging hoorde op straat of zo. Heel stiekem allemaal. Een klein beetje piepen.

Ik herinner me ergens in mijn twintiger jaren dat er bij de Humo een plastuit zat. Moet ter aanloop naar het festival Torhout-Werchter geweest zijn. Nu kan ik me met jaren vergissen omdat ik wat tijd betreft helemaal geen betrouwenswaardig bewustzijn heb. Vergeef me…
Alleszins, ik heb die plastuit in beslag genomen binnen ons gezin en heb ze uitgeprobeerd. En wonderwel, dat was mega-handig. Wel maar één keer te gebruiken omdat dat kartonnetje best een beetje wak werd.

Ik herinner me ook als kind uitgeprobeerd te hebben hoe het is om als man te plassen. Ik had al snel door dat het niet haalbaar was met mijn te korte beentjes vóór het toilet te gaan staan, omdat dan alles op de grond zou lopen, maar ik stelde me in spreidstand boven het toilet. Ook daar kwamen mijn voeten niet op de grond en het leek ook nodig dat ik me aan de bril vasthield, want heel standvastig was het allemaal niet.

Dat leek me niet voor verder onderzoek geschikt. Ook niet zo makkelijk om weer voeten aan grond te krijgen na de boodschap van algemeen nut.

Mijn ouders hebben ook eens in het kleine toilet op het appartement uit mijn kindertijd een poster met een-aap-op-een-toilet aan de achtermuur gehangen.
Ik herinner me nog hoe mijn nicht, die enkele jaren jonger was dan ik, niet alleen op het toilet durfde door die poster. Dus zat ze een beetje bibberig, de beentjes bungelend boven de grond en de handjes naast zich aan de bril vasthoudend, voorovergebogen en met een bedremmeld gezichtje ‘haar toilet-tijd’ uit te zitten.

Trouwens, ik heb eens ergens gelezen (en als ik me goed herinner was het een uroloog die het geschreven had), dat de voeten best op de grond steunen bij een toiletbezoek om op een ontspannen manier de blaas volledig leeg te maken. Dus kindjes: zo lang mogelijk op het potje of een trapje vóór de WC.
Over de plastuit moet ik dan nog eens nadenken.
Over de menstruatiecup heb ik overigens ook wat te vertellen…Maar dat zal ik voor een andere keer houden.

Wat de relatie is tussen het gedicht van Petrarca in het audiobestand en mijn toilet-relaas hier?
Ongetwijfeld!
(Allez, ik toch!)

Queue-Bit

Photo by Steve Johnson on Unsplash

Stel dat ik zo lang mogelijk in een status wil zijn van ondefinieerbaarheid, van fluïditeit bij wijze van spreken. Niet rechts niet links maar superdivers, niet rood niet geel maar een multidisciplinaire regenboog en niet goed of kwaad maar een yin-yang golfbeweging tussen geven en nemen.

Ego en Eco van submicro tot meta. Wow..
Ofzo-iets, uitdehaard.

Van alles een beetje.
Vanalles een bitje.
En naargelang de omstandigheden een beetje meer van ditje dan van datje.

Stel dat het niet te voorspellen valt wat ik zal doen als volgende actie.
In welke omstandigheden zou dat dan het beste lukken?

Als ik me afzonder en stilte opzoek?
Als ik onderzoek wat prikkels met me doen doen?
Een derde vraag ontbreekt me even. Maar dat is geen verrassing wellicht.
Onder welke omstandigheden kunnen mensen hun fluïditeit bewaren of doen toenemen?
Hun bipolaire of pentalaire denken en voelen wat verzachten?

Laat het me tolerantieniveau noemen. Want hoe toleranter de mens, hoe flexibeler inzetbaar in verschillende contexten.
Toch?!
Of maak ik hier een denkfout?

Als je oordeelt zet je iemand vast in een hokje.
En het is heel moeilijk om die daar weer uit te krijgen.
Mensen zetten graag in hokjes.
Mensen spreken graag in de context van hokjes.
Des mensens, ook voorspelbaar wellicht. Een algoritme later…

Ik heb ergens gelezen dat voor quantum computing het noodzakelijk is dat de qubits, de quantum bits zeg maar, zo lang mogelijk in ‘ondefinieerbare toestand’ moeten blijven. Omdat dan de operaties die ermee verricht worden het meest betrouwbaar zijn en er ook veel meer operaties op mogelijk zijn. Ik schrijf op her-innering en een beetje Hartificieel, dus ik kan me vergissen. Alleszins, als de qubits deze ‘coherentietijd’ overschrijden en terugvallen op een polaire status als nul of één, valt er minder mee te doen.
Zijn ze als het ware ‘nutte-lozers’.

Moet ik dan blij zijn met mijn diagnose van bipolaire stoornis?
Of moet ik dan concluderen dat ik schizofrenie heb en veel meer traceerbare fluïde- statussen doorleef dan goed of kwaad, naargelang de context?
Of ben ik gewoon – een beetje vreemd? Das wel heel simpel Natuurlijk.
Dat zal wel niet kunnen. Of niet wel, al naargelangs.

Wat zijn goed en kwaad in de ogen van je dierbaren?
En wat zijn goed of kwaad in een leercontext?
En waar liggen de verbindingspunten tussen goed en kwaad om weer een zee aan mogelijkheden te creëren?

Nog even en straks loopt iedereen in het gareel. Stel u voor.
A Brave New World,
Weer Wat Wonderbaars.

Toekomst

Photo by Dollar Gill on Unsplash

Laat me, haat me, ga mijn gang
in weten dat het anders kan

ruimte is slechts een illusie
van een tijdloos avontuur
het avonduur bedriegt me
soms zijn daguren vol vuur

mijn voeten in het water
en mijn hoofd ver in de lucht
smeed ik dromen in hun toekomst
ook al ben ik op de vlucht

van muizenissen in mijn hoofd
tot wind tussen mijn armen
als energie die niet ontdooit
langs uitgebluste darmen

weet ik hét natuurlijk nooit
alsof waarheid ook echt bestaat
verstaan is nog een ampel woord
twee lettergrepen later

tracht ik eenheid terug te vinden
in versnipperde gedachten
wat is jouw of mijn of hun
ach, niemand zit daarop te wachten

laat me, haat me, ga je gang
ik sluit nog kort in spe
Miss Piggy in gedachten
neemt ze Kermit met zich mee

wees gegroet, meneer, mevrouw
artificieel natuurlijk mens
wie stuurt het roer, vergis je niet
vernis me, roer je eigen geest

want straks is lang geleden ook
een toekomst die geneest
geweest of over gaat
in platgetreden paden…

Kind-ly

Photo by Matt Collamer on Unsplash

“Kunt ge in het vervolg iets zeggen in plaats van drie keer te bellen?”
Ik keek om en zag een jongedame ietwat onzeker op haar GSM turen vooraleer ze de bus verliet langs de draaideuren die de chauffeur speciaal voor haar had geactiveerd.
Ik zag het meisje staan dralen buiten net ter hoogte van mijn stoel, haar GSM intussen aan haar oor…

Was ze kort bij haar bestemming?
Of had ze toch een vierde keer moeten bellen…

De bus was inderdaad op korte tijd een paar keer gestopt.
En de buschauffeur stopt(e) wellicht niet graag als niemand de bus op- of afstapt(e).
Ik had niet gekeken, maar ik onderstel dat het zoiets moet zijn geweest.

Ik had wel met de chauffeur te doen. Je kiest een job omdat klantvriendelijkheid het belangrijkste aanwervingscriterium is, je wil je klanten, ongeacht hun achtergrond, op een veilige en aangename manier van halte tot halte brengen…en je wordt dan ineens door een virus waar je zelf niet voor gekozen hebt afgesneden van je reizigers. Met plastic nog wel.
Dat gaat wellicht al eens op je humeur werken. En dan weet je misschien op de duur niet zo goed meer wat dat inhield, klantvriendelijkheid…ik denk maar wat al typend…

Allemaal Ónderstellingen…

En toch…
Enkele haltes verder stopt de bus opnieuw en ik zie een man die heel netjes gekleed gaat ter hoogte van de deuren bij de chauffeur geduldig staan kijken en wachten. Wachten tot de deuren opengingen, onderstel ik. Ik zat klaar om hem teken te doen dat hij achter me moest opstappen, mocht hij mijn kant uitkijken, maar ik onderstel dat de chauffeur me voor was, aangezien de man zich naar de deuren achter me repte en een plaatsje zocht.

In deze ‘wachttijd’ hadden mijn oren nog de woorden ‘As get nu nog ni wet!‘ opgepikt. Maar die woorden had de brave man niet gehoord, omdat hij nog onderweg was van ‘tegen zijn verwachting in’ naar ‘ah, hier is de opstap. Da´s raar…’
Of zo.

Later zou blijken dat hij wellicht in een andere taal dacht…maar daar kom ik nog.

De bus klotste verder.
Tot ik mijn eigen rit besloot af te ronden door te bellen.
Aan de afstap heb ik heel duidelijk en hartelijk ‘dankjewel’ geponeerd in de richting van de chauffeur. Mij had ze veilig van halte naar halte gebracht. Ik ben haar daar dankbaar voor. En tenslotte, het gedicht van Rilke reed mee met mij…dat van die draken en prinsessen en liefde nodig hebben en zo…

‘Excuse me’, hoorde ik zacht achter me.
Diezelfde man van de ‘wet et nog nu nog ni’ was blijkbaar ook afgestapt en stond wat rond te draaien met een papiertje en zijn GSM in de hand. Zijn vraag leek dringend.
Maar aangeziene ik het station wist zijn heb ik hem snel kunnen helpen.
Hij weg. Ik weg.

Voor de avondrit heb ik opnieuw de bus genomen. En ik voelde hoe mijn mondhoeken krulden telkens ik een autobus vanuit de tegenovergestelde richting zag aankomen en zo nonchalant dat handje van de chauffeurs de lucht in ging, al dan niet vanuit hun openstaande raampje. Een kleine begroeting tussen ‘ons’.

We stopten ook aan een halte die ‘grens’ heette.
Bijzonder vond ik dat.
En de bus durfde er zelfs voorbij…

Ook aan deze chauffeur heb ik hardop ‘dankjewel’ gezegd net voor ik afstapte.
Ik werd een beetje vertwijfeld aangestaard door de andere passagiers die afstapten.
Achter het stuur bleef het stil.

Maar dat begrijp ik wel…na een inspanning eventjes jezelf helemaal afsluiten en denken: dat heb ik mooi gedaan! Verstillen nu.

‘In a world where you can be anything, be kind’
Mijn excuses…ik weet niet echt wie bovenstaande woorden op deze manier samenstelde…
Overal waar ik ermee goochelde, kreeg ik ‘unknown’ als antwoord…

Maar mooi zijn ze wel, toch?!
Want is dat niet het enige dat er aan het eind van de rit echt toe doet?!



Dare to share

Photo by Nastya Maxymova on Unsplash

Zo kan ik even verder surfen op mijn blogbericht van gisteren. Want ja, zonet was er een nieuw verhaal van Mr. Rosenberg dat werd voorgelezen. Ik dacht dat de titel ‘The shape’ was…maar na grondige evaluatie van alles wat gezegd en verzwegen werd, denk ik dat ik die titel verkeerd verstond en dat het ‘Ashamed’ moest zijn.

Schaamte.

Daar heb ik wel een verhaal over. Maar of ik dat hier en nu wil vertellen is een andere kwestie natuurlijk. Ik heb wel aangereikt wat ik op al die jaren waar schaamte my middle name was, heb geleerd.

Eén psychologe sprak het uit een aantal jaren dat ik al rondliep met schaamte.
‘De enige manier om ermee om te gaan is te delen waarover je je schaamt.’

Lap, dacht ik, kon je dat niet wat eerder zeggen…dan had ik er alvast mee kunnen experimenteren.
Het lastige is dat je van je luisteraars niet kan voorspellen hoe ze gaan reageren op je verhaal. Of ze met hun ‘goed’ of ‘slecht’ oordeel je gevoel van schaamte erger gaan maken of niet.
Oh ja, ik had van bij het begin dat ik een verhaal droeg waarop schaamte zat, de intentie het te delen. Ik had er goede redenen voor, die zelfs niet met mezelf te maken hadden.

Maar als je omgeving dan reageert door het verhaal te stilzwijgen, als je het deelt wanneer de emmer overloopt…als andere mensen in je omgeving reageren met ‘als je het deelt dan…‘… dan ga je twijfelen aan je intentie. Dan ga je je afvragen of je de gevolgen wel kan dragen…naast de ziekte en de schaamte en de zorg om je naasten en je werk en …

Want wat is erger, een verhaal stilzwijgen waar schaamte op zit of afgeschreven worden door je (vertrouwde) omgeving?

Wat ik op mijn tocht naar ‘heling’, ik zal het zo maar noemen, al is er wellicht nog wat werk aan de winkel…wat ik op die tocht heb geleerd, is dat het zeer zinvol is je eigen waarden te ontdekken en trachten ernaar te leven.

Als kind groeien we op in een gezins- of familiecontext waar een bepaald waardenpatroon heerst. Vaak met een oordeel over ‘goed’ en ‘fout‘. Pas als je aan die ‘goed’ of ‘fout’ gaat twijfelen en de zaken vanuit een helikopterperspectief bekijkt, zie je dat het eigenlijk om een spectrum draait tussen de extremen goed en fout. Waar de plaats waar je je ‘oordeel’ over de situatie positioneert, bovendien afhankelijk is van de context waarin je je bevindt.

Bij je schoonouders klinkt je verhaal wellicht anders dan in het dokterskabinet.
Dokters horen wellicht verhalen die veel genuanceerder zijn dan de zwart-wit aan de kersttafel.

Je zou voor minder je mond houden…

Alhoewel. Ooit was ik opgenomen in een PAAZ afdeling van een ziekenhuis en met lood in mijn schoenen ging ik naar de verpleegpost om verheldering te vragen.
Een aantal verplegers waren aan het praten in hun ‘visbokaal’ en ik wachtte geduldig tot ze me zagen staan. Tot ze bereid waren te luisteren.
Ik zie nog hoe ze haar hoofd omdraait en ik vraag, me heel kleintjes voelend:
‘Hoe ga je om met schaamte en schuld?’
Ze trok haar schouders op en antwoordde: ‘Tja, lat omlaag.’

Ik begreep er niks van maar keerde terug naar mijn kamer om vanuit mijn eigen logica te achterhalen hoe het één met het ander te maken had.

Ik besef nu dat ze geen goesting had in een vraag van een patiënt. Ze wou wellicht liever ‘kletsen’ met haar collega´s. Nu vind ik haar antwoord ronduit misdadig.
Als je er niets van snapt, zwijg dan alsjeblieft.
Effe kort door de bocht goed inhakken…heerlijk, dit! (= kort intermezzo)

Ik hoop dat je bij het delen van je verhaal, mocht je een verhaal van schaamte dragen en mocht het te zwaar wegen om alleen te dragen, …dat je dan stapje voor stapje, bij mensen die je vertrouwt en dan misschien eens, een tipje van de sluier of iets meer, bij meer en meer mensen…deelt wat zo zwaar weegt…om alleen te dragen.
En ik hoop dat je mag ervaren dat je het waard bent volgens je waarden te leven.

Mensen die een oordeel hebben over jou of over bepaald gedrag van jou, begrijpen wellicht de uitspraak niet:

‘Geen gedrag is vreemd als je de context in rekening brengt.’
Ik wens je veel warms en hartverwarmende reacties op je pad.

PS: doe desnoods de rode regenlaarzen aan die je partner voor je kocht omdat hij of zij weet dat je je daarmee zekerder voelt…
Het mogen imaginaire laarzen zijn…
Zolang ze maar goed zitten en je er doen staan…

Imaginaire x

Navigeren

Photo by Rod Long on Unsplash

Ik herinner me een moment van een tijd geleden dat ik me vrij vroeg op de avond al in nachtkledij had gehuld. Opeens hoor ik een luide schreeuw op straat. Een kind. In nood?
Heel mijn systeem wordt alert en treedt in actie.
Ik trek snel iets deftigs aan en ga de deur uit.

Ik zie wat verderop een man staan met vlak voor hem een jongen van een jaar of tien. De jongen huilt. ‘Niet gaan papa, niet gaan’. Hij klampt hem aan. Ik weet niet goed wat doen maar mijn overbuur is intussen ook buiten gekomen. Hij heeft deze situatie al eerder gezien. Hij licht toe. De papa en mama zijn gescheiden. De dagen dat de jongen bij de papa is wil hij hem niet meer inruilen voor de mama. Vaak scènes als papa moet gaan werken.

Papa werkt als chauffeur voor een Brusselse minister. Met zijn drieën trachten we de jongen te kalmeren. Hem terug naar het appartement van zijn mama te loodsen.
Simpel is het niet. Ik leg uit dat papa moet gaan werken om centjes te verdienen om eten te kopen voor hen en af en toe een geschenkje voor de jongen.

Uiteindelijk lukt het toch.

Mijn overbuur zegt: ‘het is niet evident om vandaag kinderen op te voeden.’
Die uitspraak zindert bij mij niet meteen.
Ik probeer het te vatten. Misschien omdat vandaag de noodzaak bestaat dat beide ouders gaan werken om met het gezin te kunnen rondkomen. Als je dan thuiskomt en moe bent en de kroost wil aandacht waar je op dat moment niet de energie voor hebt, dan voelen de kinderen zich wat verloren. Dan trachten ze elders terecht te kunnen met hun verhaal.

Gisteren nog hoorde ik de uitspraak dat er maar één mentor nodig is om kinderen die het moeilijk hebben een kans op een fijne toekomst te geven. Eentje is genoeg. Een andere uitspraak zegt: ‘it takes a village to raise a child’. Ook dat is waar. Dat maakt het alvast wat makkelijker. Verschillende generaties bij de opvoeding betrekken.

Een tijdje geleden zag ik in een krantje van de Gezinsbond de term ‘sandwichgeneratie’. Met als uitleg: ‘Het zijn vrouwen of mannen die dus op hetzelfde moment in hun leven voor een jongere én een oudere generatie zorgen en die zorgtaken combineren met een betaalde baan. ‘

Ik ben er intussen van overtuigd dat elke generatie elkaar kan helpen: de jeugd kan de ouderen ICT-geletterdheid bijbrengen, de ouderen kunnen als (hopelijk) ‘wijzen’ een mentor zijn voor de kinderen en de tussengeneratie, de ouders die ook kinderen zijn, kunnen wat minder trachten te ‘controleren’ en meer te ‘navigeren’ op de aanwezige energieën. Zodat hopelijk de stress wat afneemt en er weer meer tijd is om te ‘zijn’.

De ene cultuur is daar al wat vaardiger in dan de andere.
We hebben dus ook daar van elkaar te leren.

In herhaling vallen

Ik moet iets bekennen. Ik ben eigenlijk heel moe.
Moe van alle indrukken die ik vandaag heb opgedaan.

En dan is er toch nog die wens om hier wat te schrijven. En dan merk ik dat tussen twee zinnen mijn handen stil houden en mijn gedachten afdwalen.
Dat is het niet hé.
Als kindjes moe zijn, moeten ze slapen…

Dus zoek ik op het woord ‘vertrouwen’ in mijn blogberichten omdat dat woord prominent aanwezig was vandaag.
En bots ik op een bericht waarbij ik denk…wel wel, dat is nog behoorlijk actueel.
Die verzameling woorden doorstond de tand des tijds, in my humble opinion.

Dus denk ik: ‘vooruit met de geit, die link copy-pasten en een oud relaas een nieuw jasje geven.’
Een foto zoeken zal ook nog wel lukken.

Of zou ik…mmmh, ja, dat is ook een optie…
Mysterieus doen, keiplezant! 🙂
Maar niet bevorderlijk voor de nachtrust…

Soit: ziedaar!