Verankeren

Photo by Gabriel Rodrigues on Unsplash

Dit keer heb ik het durven vragen.

Ik was pas vertrokken met de fiets toen ik haar de voordeur uit zag stappen. Een stoffer in de hand, een blik op de rij auto´s aan de overkant van de straat. We groetten elkaar, zoals we altijd doen. Soms aangevuld met een heen en weer babbeltje.

Ik hield even verderop stil.

We zaten vroeger in de middelbare school in dezelfde turnkring. Zij bij de juffers, ik bij de wedstrijdturners al nam ik ook meestal deel aan de lessen van de juffers. We hadden toen geen nauwe band. Het moet ergens 2005 geweest zijn toen ik haar voor het eerst weer tegenkwam op een perron in Brussel Noord. Beide wachtend op dezelfde trein richting Jette om er te gaan werken.

Destijds en ook nadien vroeg ik het niet maar dit keer stopte ik dus en stelde de vraag ‘mag ik nu eens wat vragen, klopt het dat jij Kathleen heet?’.
‘Neen, Marleen’, zei ze, ‘maar iedereen noemt me Leentje.’
Oef, dan zat ik er niet ver naast.

Ik had het destijds niet durven vragen omdat zij duidelijk mijn naam wel kende. Wat me nog al wel is opgevallen bij andere mensen die ik ‘van gezicht ken’ uit de turnkring. Wedstrijdturners staan nu eenmaal wat meer individueel in de kijker dan iemand die in de afdelingen turnt. Ik had het niet durven vragen toen ik haar zeventien jaar geleden weer ontmoette. Dom eigenlijk.
En na al die jaren en korte fijne babbels die volgden, durfde ik het zeker niet meer te vragen, hoewel de vraag telkens aan mijn bewustzijn wriemelde.

Maar ze stond dus met een stoffer in de hand op de stoep. Ik maakte er een grapje over.
‘Ja, ik was net bezig de deur af te stoffen toen ik me afvroeg of ik de deuren van de wagen wel had afgesloten daarstraks.
Waarop ze de daad bij het woord voegde en even met uitgestrekte arm en een klik op de juiste knop in gesprek ging met haar wagen.
Hij pinkte terug. Afgesloten.

‘Ga je maar lekker ontspannen’ zei ze nog, nadat ik haar had verteld waar ik naar op weg was.
Dat heb ik dan maar gedaan.
Een beetje minder onzeker nu dan bij al die vorige ontmoetingen, omdat haar naam nu wel verankerd zit.

Dom eigenlijk, om het ongemak zo lang te laten voortduren…

Puurheid

Photo by Brett Jordan on Unsplash

Dezer dagen ben ik bezig mijn behoeften in kaart te brengen en ermee aan de slag te gaan. Niet mijn verlangens, die zijn van een andere orde. Van Dale omschrijft de ‘behoefte’ zoals ik ze voor ogen heb als ‘zaak die je nodig hebt’.

‘Verlangen’ daarentegen is synoniem voor ‘wensen’.
Je kan verlangen naar iets dat je mist maar niet echt nodig hebt.
Een boek bijvoorbeeld. Of meer bepaald een schrijfboek.

Ik zit al een tijdje te worstelen met het schrijven. De freewriting wil wel lukken, al beoefen ik ze niet dagelijks. Voor het bloggen heb ik daarentegen behoefte aan inspiratie dezer dagen.

Het is goed om voor je behoeften op te komen. De behoefte aan schrijven bijvoorbeeld, aan zingeving tout court. Maar om daar dan aan te hangen dat je een aantal schrijfboeken bestelt om je weer in gang te zetten, dat is dan het vervullen van een verlangen.
Al geef ik toe, ik heb eraan toegegeven, omdat ik niet veel nieuws met betrekking tot schrijven vond in de bibliotheek en ik hoopte mijn inspiratie wat te voeden bij collega-schrijvers of schrijfdocenten.

Zo las ik al een stukje in één van mijn nieuwe boeken en vond als inspiratie dat ik best uit mijn freewriting zou kunnen putten om een thema te vinden om een blog over te schrijven.
Dat ik daar niet zelf opkwam…
Maar goed, dus neem ik me voor de freewriting ´s ochtends te doen en er ´s avonds even door te fietsen om te bekijken of er online iets over te schrijven valt.

Het was trouwens de eerste keer daarstraks dat ik daadwerkelijk mijn freewriting eens doornam. Hoewel ik ervan overtuigd was dat het enkel een klaagzang werd, moest ik tot de conclusie komen dat er wel degelijk wat wijsheid in te vinden was. Die wijsheid was wel geschreven vanuit een ander perspectief dan de ‘ik’ die meestal aan het woord is…

Ik verklaar me niet nader. Misschien een volgende keer 😊

Ikzelf heb een grote behoefte aan authenticiteit. Zowel om mezelf te bewegen in de wereld als bij het ont-moeten van en met andere mensen. Behoefte aan energieën die zuiver zijn, die niet door allerlei filters gaan voor ze zich vrijgeven in de wereld en mijn waarneming bereiken. Als ik al eerlijk waarneem, onbevooroordeeld…
Overigens kan ik moeilijk anders dan authentiek in het leven staan. Het kost me teveel energie om het anders te doen. Om te faken. Noem het naïviteit, ik weet het niet.

Wat een andere behoefte van me in de kijker zet: de behoefte aan eerlijkheid.
Misschien is het een onderdeel van authenticiteit. Laat ik het eens opzoeken:

Authenticiteit is volgens van Dale : ‘echtheid’.
Eerlijkheid is volgens dezelfde bron: ‘opr-echtheid’, waar dus ‘echtheid’ een onderdeel van is. De twee begrippen hangen nauw samen. ‘Puurheid’, waarbij ik voor ‘puur’ de betekenis ‘onvermengd’ terugvind.

Dat geeft wel een mooi beeld.
Levensenergie die ‘puur’ is, niet bezoedeld door de omgeving waarin het ‘object’ zich bevindt en beweegt…Waarbinnen man, vrouw of X zich begeeft.

‘Puur’ mogen en kunnen zijn. Dat is misschien wel de meest basale behoefte die er is.
Maar wat zijn de voorwaarden daarvoor? Of zijn die er niet?

Ogenblik

Photo by Marina Vitale on Unsplash

Daarnet herinnerde ik me ineens dat ik ooit recruiter had kunnen worden, als ik alleen maar ja had gezegd. Het ene rekruteringsbureau bevond zich in Brussel toen ik er nog woonde. Het andere in Putte toen ik al niet meer in Brussel woonde.

In Putte had ik nochtans gewoon gereageerd op een aldaar vacante job, maar de man die me te woord stond en mijn woorden onder de loep nam, gaf me een speciale uitdrukking over voor de blik in mijn ogen.

‘Je hebt er de blik voor’, vertelde hij me. Wellicht heb ik daarop authentiek gefronst.

Dus heb ik mijn interesse wat opengesteld en is hij beginnen vertellen hoe het er allemaal aan toe ging in zijn bureau. Zo had hij het ook over het zoeken naar geschikte kandidaten. En dat je wel wat leugentjes moest gebruiken om de juiste man of vrouw aan de lijn te krijgen in een organisatie.

En dat, lieve lezers, dat zag ik dus niet zitten.

Ik zou het zelf ook irritant vinden als iemand mij met een smoes aan de lijn krijgt en daarna vertelt dat hij de droomjob voor mij heeft gevonden. Of dat ik de ideale kandidaat ben voor een wel heel speciale job.

En hier had ik dus een zin geschreven die ik voor de zekerheid maar heb geschrapt. Ik gebruikte immers een uitdrukking die een vriend van me net in zijn sms-mond nam zonder het eerst op te zoeken. Heb ik dus voor de zekerheid toch maar gedaan en vandaar de schrapping en verduidelijking. Voor de duidelijkheid, uiteraard.

Rekruteren…

Wat ik wel graag doe is op zoek gaan naar unieke talenten van mensen en hen daar een beetje rond kriebelen om hen in gang te zetten. De vriend waarover ik net cursief schreef doet dat met mij ook.

Ik dacht gewoon wat op mijn luie zetel te zitten vanavond maar door het heen en weer leuteren kreeg ik ineens inspiratie om te schrijven. Dus dankjewel R.!!

Het gedicht over de kiwi heb ik overigens ook voor de helft aan hem te danken. Is hier wel ergens te vinden op mijn blog. Gewoon even zoeken op kiwi…denk ik toch…

Die blik in mijn ogen heeft overigens al meer voor uitspraken gezorgd:
‘Je kijkt zo streng’, ‘Leg zachtheid in je ogen’, maar ook ‘je kijkt zo vreemd uit je ogen’, in mijn pijnlijkste momenten. ‘Jij werkt in het onderwijs he, ik zie het aan je ogen.’

‘Fiducia met de mooie ogen’ heeft ook wel eens iemand zo ongeveer tegen me gezegd. Vreemd vond ik dat. Ik had ze niet eens in de verf gezet.

Maar goed.
Waar liggen mijn talenten en wat kan ik er nog mee betekenen voor de toekomst van onze kinderen?
Ik leg de vraag maar even voor aan mijn onbewuste en rep me terug naar mijn luie zetel op deze zondag.

En later op de avond laat ik mijn ogen boekdelen spreken.
Zomaar, voor de lol.

De brief

Photo by Green Chameleon on Unsplash

Met dit bericht startte ik ooit mijn blogexperiment in 2014.
Vandaag de brief aan mijn overleden ‘baas’ van toen, in audio- en tekstvorm.

Dag professor,

Het voelt nog steeds een beetje vreemd, maar na jaren van aarzelen dan toch dit schrijven.
Al weet ik niet eens of u me nog onderscheidt in uw herinnering.

Voor mij begon een mooi verhaal halfweg 1997 toen ik bij u op sollicitatiegesprek kwam. De derde ronde. Mijn dochter, toen tien maanden oud, lag in het ziekenhuis maar u gaf me ruimte en een eerlijke kans op de job met een paar weken uitstel voor het beslissende gesprek. Ook al onderstel ik dat uw agenda niet erg veel vrije ruimte ademde. Bovendien was de start van het project urgent omwille van de contractuele afspraken met een handvol strategische partners.

Ik herinner me haarscherp wat het eerste was dat u me vroeg toen ik op gesprek kwam.
Hoe het met mijn dochter ging. Weet u dat nog?
Ik zie ook nog helder voor me hoe u non-verbaal reageerde toen ik aangaf dat mijn dochter er wellicht niet aan zou sterven. Hoe u toen een krimp gaf. Heel subtiel.
Ik was er even door uit evenwicht. Zag u mijn hapering toen, professor?

Ook later zou ik uw betrokkenheid en zorg ervaren. Elke vijf minuten overleg die ik aan één van uw secretaresses vroeg wanneer ik dreigde vast te lopen op een vraagstuk. U maakte tijd voor me.
Zette me telkens op het spoor dat toeliet dit internationale pilootproject, uw geesteskind, te doen slagen. En uw opzet slaagde. Met overweldigende respons.
Het project liep. Liep goed. Werd stilaan routine.

Maar u, u had kanker. En ik wist dat. Ik wist dat zelfs zeer snel.
Doordat de zus van uw schoonzoon me dit had toevertrouwd in mijn eerste werkweek.
‘Maar ik moest het zwijgen.’
Ik onderstel dat u dat bij leven nooit heeft geweten.

De krimp die u gaf bij het sollicitatiegesprek. Het daagde me.
Sterfelijkheid stond toen al enkele jaren vetgedrukt in uw agenda.

Ik had uw pijn bij onze eerste ontmoeting opgemerkt en detecteerde hem nog vele keren daarna.
Maar ik zweeg, ook al voelde ik de zwaarte van de last die u droeg.
Toen ik op een keer uw grimas zag toen u moeizaam opstond uit uw bureaustoel en ik stilletjes opperde om een ander moment terug te komen. Herinnert u zich dat moment en hoe u mijn voorstel toen weigerde?
U ging door. Dwars door de pijn. Zolang het kon.

Het is in tranen dat ik dit schrijven afrond. Het verhaal dat zo mooi startte meer dan twintig jaar geleden, het is niet af voor mij. Uw dood en wat daarop volgde waren te onwezenlijk. Ik kon en kan het nog steeds niet vatten.
Weet u, soms overspoelt me nog de vraag of ik deel uitmaakte van een interuniversitair experiment, toen, onder uw hoede…
Maar ook op die vraag wens ik intussen geen antwoord meer.
Wat levert het me op, nietwaar?!

Misschien klinkt het vreemd, maar ik ben u immens dankbaar voor uw mentorschap.
U geloofde in mij. U geloofde dat ik dit complexe project aankon.
Dat heeft mijn potentieel doen bewegen.
Mezelf dat herinneren, helpt ook nu nog.

In voor en tegenspoed.

U genegen,
Fiducia

Queue-Bit

Photo by Steve Johnson on Unsplash

Stel dat ik zo lang mogelijk in een status wil zijn van ondefinieerbaarheid, van fluïditeit bij wijze van spreken. Niet rechts niet links maar superdivers, niet rood niet geel maar een multidisciplinaire regenboog en niet goed of kwaad maar een yin-yang golfbeweging tussen geven en nemen.

Ego en Eco van submicro tot meta. Wow..
Ofzo-iets, uitdehaard.

Van alles een beetje.
Vanalles een bitje.
En naargelang de omstandigheden een beetje meer van ditje dan van datje.

Stel dat het niet te voorspellen valt wat ik zal doen als volgende actie.
In welke omstandigheden zou dat dan het beste lukken?

Als ik me afzonder en stilte opzoek?
Als ik onderzoek wat prikkels met me doen doen?
Een derde vraag ontbreekt me even. Maar dat is geen verrassing wellicht.
Onder welke omstandigheden kunnen mensen hun fluïditeit bewaren of doen toenemen?
Hun bipolaire of pentalaire denken en voelen wat verzachten?

Laat het me tolerantieniveau noemen. Want hoe toleranter de mens, hoe flexibeler inzetbaar in verschillende contexten.
Toch?!
Of maak ik hier een denkfout?

Als je oordeelt zet je iemand vast in een hokje.
En het is heel moeilijk om die daar weer uit te krijgen.
Mensen zetten graag in hokjes.
Mensen spreken graag in de context van hokjes.
Des mensens, ook voorspelbaar wellicht. Een algoritme later…

Ik heb ergens gelezen dat voor quantum computing het noodzakelijk is dat de qubits, de quantum bits zeg maar, zo lang mogelijk in ‘ondefinieerbare toestand’ moeten blijven. Omdat dan de operaties die ermee verricht worden het meest betrouwbaar zijn en er ook veel meer operaties op mogelijk zijn. Ik schrijf op her-innering en een beetje Hartificieel, dus ik kan me vergissen. Alleszins, als de qubits deze ‘coherentietijd’ overschrijden en terugvallen op een polaire status als nul of één, valt er minder mee te doen.
Zijn ze als het ware ‘nutte-lozers’.

Moet ik dan blij zijn met mijn diagnose van bipolaire stoornis?
Of moet ik dan concluderen dat ik schizofrenie heb en veel meer traceerbare fluïde- statussen doorleef dan goed of kwaad, naargelang de context?
Of ben ik gewoon – een beetje vreemd? Das wel heel simpel Natuurlijk.
Dat zal wel niet kunnen. Of niet wel, al naargelangs.

Wat zijn goed en kwaad in de ogen van je dierbaren?
En wat zijn goed of kwaad in een leercontext?
En waar liggen de verbindingspunten tussen goed en kwaad om weer een zee aan mogelijkheden te creëren?

Nog even en straks loopt iedereen in het gareel. Stel u voor.
A Brave New World,
Weer Wat Wonderbaars.

Artificial Intelligence v16.3.21

Photo by Markus Winkler on Unsplash

Ik vroeg het me al eerder af. Hoe dat zit met artificiële intelligentie (AI) en of dat allemaal wel goedkomt als voortschrijdend inzicht de intelligentie doet toenemen.

AI is immers geprogrammeerd door mensen en als de onderliggende waarden van die mensen niet ‘oer-degelijk’ of ‘universeel’ zijn, is wat op de voorgrond treedt bij opeenvolgende iteraties van de intelligentie misschien helemaal niet zo proper meer.
Mijn waarden zijn niet noodzakelijk uw waarden, die van uw ziekenhuis/high-tech bedrijf of die van een superdiverse samenleving.

Maar nog…stel dat het brein van een mens kan worden in kaart gebracht en dat men ontdekt waar zogenaamde ‘fouten’ zitten in de constructie. Op het systeem ‘mens’ zit dus een fout. Ik zeg maar wat, bijvoorbeeld een persoon met de ziekte van Parkinson. Dan kan misschien met een beetje programmatuur aan energiefrequenties op de juiste plek in de hersenen gezorgd worden dat die Parkinson niet zoveel impact meer heeft in het leven van de zieke.
Misschien moet je daarvoor ‘als patiënt’ zelfs niet uit je douche komen.
Gewoon een beetje geduld oefenen en goed afdrogen.

Mooie intentie.
Vanaf dan wordt de persoon een beetje een cyborg, denk ik dan.
Een Natuurlijk Object met een vleugje Artificialiteit.
Maar zeker ben ik niet…

Maar met de Natuur van een mens weet je nooit wat er vanaf dan gebeurt.
Wat als die codering gaat interageren met andere ‘Natuurlijke’ onderdelen in het lichaam en bijvoorbeeld de tremor van de Parkinson overgaat in verstarring van ledematen.
Of zintuiglijke ervaringen veranderen en je bijvoorbeeld niet meer kan ruiken.
Hoe los je dat dan op?

Ga je dan nieuwe programmatuur loslaten op het brein of het geheel formatteren of een upgrade ‘installeren’ van de oude programmatie?
Als een middel om de nevenwerkingen van een eerder middel teniet te doen.
(Waar heb ik dat nog gehoord?)
En hoeveel iteraties zijn hiervoor dan nodig en hoeveel ‘mens’ is onze ‘cyborg’ dan nog?

Stel dat die cyborg dan, ik zeg maar wat, de autostrade oversteekt en een ongeluk veroorzaakt.
Welke verzekering moet hij/zij/het dan aanspreken?
En wie is aansprakelijk voor het ongeval?
Het object of de installateur van de programmatuur of de overhead?

En zijn mensenrechten trouwens ook toepasbaar op cyborgs?

En tenslotte, hoeveel ‘foefkes’ moet je nog bovenhalen om te zeggen dat je toch liever terug de parkinson zou dragen, liever Natuur bent dan Artificieel?
Meer nog, kan je dan nog terug?
Zoja naar welke leef-tijd?
En hoe is je verhouding tot het klimaat dan?
En valt je spirituele ontwikkeling dan ook weg?

#dathetallemaalnisimpelis

Labels

Photo by Marija Zaric on Unsplash

you might think in labels, I don´t
You might judge me for hazy
nonbinary, crazy
But that´s just your view of this point

In the world of today
being complex or straight
an angle unspoken
is worth of a token

cause decisions not taken
from a foreign affair
let´s say: ‘Leave us poor’
that´s a label

be sure you enable
the talent it takes to beware
take a view in this earthy affair
to take care of our Spectrum of Life

I see you, you see me
if you don´t, let´s agree
you go searching for glasses
that broaden your view

because time passes by
and we have some things to do

W(A)arde-vol

Photo by ROBIN WORRALL on Unsplash

Als ik (ik geef het toe: online) opzoek wat de etymologie van het woord ‘definiëren’ is, kom ik het volgende tegen:
ww. ‘betekenis omschrijven, grenzen bepalen’

En als ik de etymologie opzoek van het woord ‘authenticiteit’ kom ik op
‘echtheid’ -> Indonesisch oténsitas ‘oorspronkelijkheid’.

OK. Zucht!
Waar wil ons Fiducia naartoe?

Even doorvoelen.

Ik hou me daar eigenlijk allemaal niet mee bezig, met wie wat in de wereld zet en hoe.
Toch niet bewust. Maar daarnet was ik dus deelgenoot van (of is het ‘aan’?) een webinar waar de woorden ‘veerkracht’, ‘authenticiteit’ en ‘kwetsbaarheid’ , die ik her en der ook vaker zie opduiken… (zal ook wel weer uit China komen of zijn oorsprong vinden in een apartheidsregime als het werken in shiften)…
Enfin, onder andere die drie woorden werden dus zorgvuldig gebruikt en van een definitie voorzien.

Ik had na een tiental minuten mijn camera uitgeschakeld in de zoomsessie, omdat ik eigenlijk door mijn raam naar de kinderen wou kijken die met hun enthousiasme over sneeuw en slee en elkander mijn oren en ogen charmeerden. Maar ik volgde verder de webinar op non-videalistische modus en schreef her en der iets op.
Wenkbrauwfronsels gevolgd door suggesties.

Wat ik ook al vaker in de luttele leiderschaps- en adviseursmiddens-waaraan-ik-al-deelnam heb waargenomen, is dat men allerlei tools hanteert als het over authenticiteit gaat.
Dat wringt een beetje hier, ik kan het niet anders uitdrukken.
Instructie één: ‘wees spontaan’. (Ziedaar de eerste paradox.)

Maar goed, waar zat ik.

Ik nam onder andere waar dat werd gezegd dat je je ‘ook op de werkvloer kwetsbaar moest durven opstellen’. Dat je ‘transparant moet zijn over alles wat je ervaart‘, dat ook.

Ik dacht aan die talloze keren dat ik op vergaderingen wind in mijn darmen had, maar zweeg het stil. Of die keren dat het lange oorhaar van een vergadergenoot me van de vergaderagenda hield of gebrek aan zuurstof me deed verlangen naar buiten. Waar ik persoonlijk enkel in het laatst genoemde geval iets ‘in de groep’ zou gooien. Omdat ik misschien de metaforiaanse kanarie ben in de koolmijn en mogelijk enkele andere vergaderleden ook nood hebben aan zuurstof. Adempauze. Om daarna weer te kunnen focussen.

Waarom zou ik iets in de groep gooien over het oorhaar van een vergadergenoot, als ik er in mijn verbeelding al de verbinding mee was aangegaan vanuit de wind in mijn darmen.
Wie weet begin ik dan plotsklaps een gedicht aan te heffen over de schuimkoppen op zee.
Wie is daar tenslotte bij gebaat, behalve de strooidiensten?

En ineens, via een wel heel grote omweg, doorkruiste het woord ‘fractalen’ mijn gedachten.

Want toen het moment werd aangekondigd om even reacties van de ‘luisteraars’ te verzamelen, ‘omdat dat belangrijk is’, was ik al een paar minuten terug in beeld, unmute-tetterde ik mijn microfoon en gaf aan dat ik weliswaar enkel auditief had geparticipeerd aan de uiteenzetting, maar dat ik een paar suggesties had. En ik formuleerde de keuze aan de ‘boodschappers van deze nieuwe dienstverlening’ dat ik deze suggesties hier en plein public kon geven tenzij ze liever hadden dat ik het op een andere manier deed.

Ik werd vriendelijk verzocht mijn suggesties voor een ander moment te houden.
Heb dan nog even geluisterd naar een vraag van een andere ‘luisteraar’ maar heb dan chatgewijs mijn afscheid ingeluid en de mensen een warme groet en succes toegewenst.

Mensen worden vandaag uitgenodigd hun kwetsbaarheid te tonen.
Moet je je dan als organisatie stoerder voordoen dan je bent?

Hoe ‘echt’ of ‘waardevol’ is ‘authentiek’, als het niet (alom)tegenwoordig is?
En met het oog op charmante herinneringen:
Zout ge als kind liever:

Sleeën in het midden van de straat of
in de patatten (zitten) met uwe Natuur?
Peperduur! (omdat dat rijmt!)

Qi-doosje

Photo by Daoudi Aissa on Unsplash

Persoonlijk krijg ik de kriebels als ik het zie.
Stel je voor: een geboortekaartje, een uitnodiging voor een huwelijk of een overlijdensbericht.
Met dan onderaan een rekeningnummer waarop je een bijdrage kan storten.

Het is als vragen:
Hoeveel vind jij dat ons kindje waard is?
Hoeveel durf jij erop inzetten dat ons huwelijk langer duurt dan pakweg drie jaar?
Respectievelijk: Toont nekeer met jullie centjes hoe blij jullie zijn dasze dood is? Zodat we kunnen investeren om de herinnering aan haar op te bouwen.
Huh?! Is dat niet wat raar en laat?
Was zorgen voor een ‘fijne innering’ niet voedzamer geweest voor de Levendigheid der relationele aan- en afgelegenheden?

Bijdragen aan een leven doe je door in levensenergie te investeren. Schoonheid toe te voegen (in de ruime context) die mag ont-dekt worden. In een huwelijk moet je investeren in de balans tussen vrijheid om te gaan en goesting om te blijven (al denk ik dat ik daar bij een tweede keer nadenken, nanadenken dus, misschien anders over denk) en voor degene die overlijdt heeft geld geen waarde.

‘Maja, dan gaan de mensen cadeaus geven waar we niets mee zijn.’
En ze zwijgen dan stil dat ze dat cadeau online te koop zullen aanbieden en vergeten dan ‘dedju dedju’ dat in die aangeschreven lijst contacten ook tante Annette zat…die die haardroger dus had gekocht…
En ge hadt er al één…vandaar…

Tot zover de relatie!
Gelukkig geraakte de haardroger toch snel verkocht zodat je hebt wat je eigenlijk altijd al wou: Geld.
Iedereen content?
Oefening 1: Stel je eens in de plaats van tante Annette?
Oefening 2: Wat zou de relatie tussen tante Annette en jullie hieruit concluderen?
Oefening 3: Hoe hoog van de toren zal de haardroger nog blazen?

Of vinden jullie het normaal om geld te vragen aan mensen die je wel, niet, niet zo goed… kan uitstaan maar waarvan je weet dat ze toch altijd geven?
Grabbelgraai.

Waarom is geld op zich geen waardevol geschenk?

Hoe meer ik hier op mijn eigen woorden zit te gapen, hoe meer ik denk: geen kat die me volgt.
Dit is een zo wijdverspreide gewoonte…geld vragen.
Waarover mekker je toch, Fiducia?

‘En trouwens, ja, geen centjes dus…dat zegt gij, omdat ge toekomt!’
Dat is waar. En omdat ik toekom geef ik ook aan projecten die meer in beweging zetten dan dat ik hier vanop mijn kussentje op mijn stoel …(ja, dat is hier geen echte bureaustoel, dat is zo een gewone houten stoel uit de jaren stillekes, met een kussentje erop. Soms schuift dat kussentje eraf als ik me naar voor schuif om de puntjes op de i te zetten. Dan moet ik me dus bukken. Maar op zich beïnvloedt dat mijn bewustzijn niet heel erg. Ik pak dan gewoon dat kussen en leg het weer op de stoel, poneer mijn billen en ga verder waar de denkbeeldige komma erom verzocht.)

Waar zat ik trouwens?
Nog steeds op mijn stoel merk ik…al is het strikt genomen zelfs niet eens ‘mijn’ stoel.
Heb ik dan recht van spreken? (ook dat is dus een vraag, getuige het vraagteken)


Ah ja, investeren dus in projecten en organisaties die naar mijn ‘inschattingsvermogen’ goed bezig zijn.
Dan krijg ik immers een beetje het gevoel dat ik zinvolle dingen ‘doe’.

Een oude vrouw als ik. Wat kan ik anders?

Ik vind het wel nuttig om opgroeiende kinderen een budget te geven. Om met hen in dialoog te gaan en te onderhandelen over welke aankopen ze daarmee zouden bekostigen.
En of dat een extra sponsoring verdient of niet. Glunder glunder…omdat er is over nagedacht en gewikwogend geconcludeerd…wat op zich de energie al doet stromen tussen wikken en afwegen. Twijfelen en durven.

Alleszins, ik ben heel blij dat ik zonet een over-opa bereid heb gekregen dat hij een cadeau van Waarde zal geven aan zijn eerste achterkleinkind. Het heeft me wat vragen gekost, ik moest de ui er schil per schil afplooien zonder te huilen, maar uiteindelijk waren het een prentenboek en mijn audioversie ervan die hem hebben overtuigd. Hij wist zelfs niet meer dat hij het audioboek al had beluisterd…Maar toen was zijn achterkleinzoon nog niet geboren. Dan blijven zo´n dingen allemaal wat minder ‘plakken’ emotioneergewijs.

En mocht tenslotte blijken dat wat de inspiratiefase net heeft verlaten toch resulteert in een teleurstelling aan de ontvangerszijde…wel…dan merken we dat op en raap ik als verslagene mijzelf en mijn kussentje weer bij elkaar en mediteer ik nog een keer over Liefde.

En hoe het komt dat ik dat Waardevol vind.
Fopspelen.
Huh?!