Levensdans

Hij heeft de mooiste lach die ik in lange tijd gezien heb. Zijn ogen stralen mee als hij me ziet, dan ga ik spontaan glimlachen.
Ik ken het instrument niet dat hij bespeelt op zijn vaste stekje in de stad. De laatste keer dat ik er passeerde zat hij er niet. Zijn plek bleef leeg, jammer van de glimlach. Het regende, dus kon ik hem wel verstaan, al was ik ook ietwat bezorgd. Vaak zag ik ook al kleine samentroepingen rond de plaats waar hij zijn stek heeft. Dan vraag ik me af of de fooien die hij krijgt in zijn eigen handen blijven.
Een tandarts zal hij er wellicht nooit mee betalen. Ik spotte tot op heden slechts twee verdwaalde tanden in zijn mond. Maar hij heeft onmiskenbaar de mooiste glimlach die mijn hart verwarmt. En ik mis hem en zijn lach als hij er niet zit.

Die glimlach van de Marokkaanse jongeman die op vriendelijk verzoek aan mijn ontbijttafel aanschoof in een Brussels hostel een tijdje geleden was anders ook heel mooi. Maar die lag hem meer in zijn intelligente en ietwat timide maar toch nieuwsgierige ogen dan in zijn mond. Het was een fijne babbel. Ik zou zijn moeder kunnen zijn. Dankbaar was ik, dat hij mijn tafeltje koos om zijn vraag te stellen en een stukje van zijn leven te delen. Een stukje dat heel wat gelijkenis vertoonde met het mijne, toch wat studies betreft. Dat het hem en de zijnen goed mag gaan. En hopelijk draagt hij nu Brugge voor een stukje in zijn hart.

Brengt me bij een lang gemiste buur. Ik had hem al opnieuw opgemerkt en hij zwaait en roept nog even hartelijk naar me tussen zijn sigaretteteugen in als vóór zijn verdwijning voor een aantal maanden.
Onlangs stond hij in de bakker vlak voor me. Hij bestelde een rozijnenbrood. Ietwat bedeesder dan anders, wellicht omwille van de korte afstand, groette hij me. Toen hij de zaak verliet zei ik nog ‘laat het je smaken’.
Hij knikte, wipte nog eens zoals vertrouwd van het ene op het andere been en liep toen buiten, het hoofd lichtelijk gebogen.
Een zeer scherpe geur drong doorheen mijn neus tot in mijn hersens. Mijn adem stokte er even van.
Maar ik begrijp het.
Het is makkelijk gezegd dat je je elke ochtend moet wassen en verse kleren moet aandoen.
Waar haal je de moed als ze die niet in de bakker verkopen?

Brengt me opnieuw bij de bakkerin op kerstochtend, gisteren dus. Een vrouw hield vooral zichzelf aan de gang met wat gebabbel en zei op een bepaald moment ‘maar toch een goeie kerst hé, anders’ tegen de bakkerin. Diens gezicht sprak boekdelen. De vrouw keek de winkel rond. Ik keek bewust weg, gegeneerd. De man van de bakkerin, zelf warme bakker in de eigen zaak, kreeg enkele maanden geleden een beroerte. Voor zover ik weet ligt hij nog steeds in het ziekenhuis, zich onbewust van zijn toestand en quasi geen verbetering op enigerlei vlak sedert het voorval.
Binnenkort moet hij het ziekenhuis verlaten. Mevrouw de bakkerin zit met de handen in het haar.
Haar huis is niet aangepast, er zal moeten verbouwd worden. Hoe moet ze voor hem zorgen als ze de hele dag in de bakkerij moet staan?
Als er niemand anders in de winkel staat, voel ik in of ik wat diepere verbinding mag maken. Meestal wel, is ze dankbaar en wat opgeklaard als ik een tijdje later haar zaak weer verlaat.

Maar het is kerst, dus moeten we elkaar een goede kerst wensen.
Ik ga dadelijk, net voor ik inslaap, even heel hard denken aan de ontelbare mensen wiens leven moeizamer gaat dan het mijne.
En dan stuur ik hen een hartegroet van hier tot helemaal daar waar ze zijn.

Morgen studeer ik opnieuw in de cursus die me vandaag hoop gaf.
Want als mijn vatje vol blijft, kan ik blijven geven…

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.