Zoete troost

Daarnet heb ik iets dom gedaan. En het blijft hangen.

Ik ging naar de bakker om een zoetigheid. Dat op zich is al dom. Maar ik kwam vlakbij de bestemming drie kindjes tegen waarvan eentje naar me begon te zwaaien. Dus zwaaide ik terug. Toen zwaaide een tweede, met nieuwsgierige en ondeugende blik. Dus zwaaide ik opnieuw terug. Ik stond intussen al in de bakker toen ze met twee wild zwaaiend voorbij het raam liepen. Dus zwaaide ik ongeveer even wild terug. We waren er allemaal om aan het lachen, de bakkersvrouw incluis.

Toen twijfelde ik…wat als ik een zakje zoetigheid koop en hun mama vraag of ze het mogen hebben. Ik kocht een zakje.
Toen ik de bakker uitliep zat er nog slechts één meisje op de stoep van haar huis. Naar ik vermoed haar huis.
Ik voelde mezelf twijfelen, maar vroeg haar ‘mogen jullie van mama of papa een snoepje hebben?’
Ze schudde wild van neen waarbij ze stevig haar mond vasthield. Alsof ze gevreesd had dat ik het zou vragen. ‘Ok’, zei ik, ‘dan doe ik het niet’. We zwaaiden gedag en ik zette mijn weg verder.

Aan de overkant zag ik hun papa aan zijn auto staan met de oudste dochter. Naar ik vermoed toch, is het één gezin. Interpretaties zijn gevaarlijk.
Halfweg mijn traject begon het woord ‘ramadan’ te dagen.
Opgezocht…loopt nog tot half juni. Domme domme ik. Maar doen kinderen daaraan mee? En vanaf welke leeftijd dan? Opnieuw iets om op te zoeken.

Los van dit alles. Deze ouders mogen trots zijn op hun dochter.
En welke les ik hier zelf uit trek: ik vraag in de toekomst sowieso aan ouders zelf goedkeuring voor ik aan vreemde kinderen iets voorleg. Zo komen de kinderen niet in een dilemma terecht en zorg ik ervoor dat de ouders hun waarden voorrang houden op de wens van mezelf om de lichtjes in de ogen van kinderen even te zien oplichten. Van nieuwsgierigheid. Of plezier om de verbinding.

Ik weet dat er ergere dingen zijn. Zoals de kansen op lichtjes in de ogen van kinderen wegnemen alvorens ze goed en wel voet aan grond hebben gezet.
Of angst of woede lezen in de ogen van mensen die een beleid moeten bepalen.

Dan maar die spreuk van mijn lichaamstherapeut even omvormen: hou je angst bij de hand en laat de mensen met pijn binnenkomen.
Koester ze.
En kijk samen de pijn in de ogen.

En als daar iets constructiefs uitkomt, dan zorg ik voor een zoetigheid.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.